Categorie: Zo’n dag in de Breinsmederij

zo’n dag in de Breinsmederij 171

Al anderhalf jaar geleden viel mijn oog op een klein artikeltje in de Happi.kidz. Het ging over de tafelschikking aan tafel en hoe het hoort. Hoe klein het artikeltje ook was, het bleef door mijn hoofd spoken. Bij zulke artikeltjes gaan mijn haren altijd recht overeind staan. Hoezo hoe het hoort?? Wie bepaalt dat? Ik toch zeker zelf! Tegelijkertijd vind ik het bere-interessant hoe we blijkbaar ons toch ook vaak stereotype gedragen en hoeveel waarheid er in zit.

De ouders horen naast elkaar te zitten als ouderteam (ok klinkt goed), de vrouw links en de man rechts van haar (hoezo links?). De kinderen zitten daar recht tegenover, op de kindplaats (oeh naar woord). De oudste zoon tegenover de vader (ok vanuit historisch perspectief kan ik dat begrijpen), maar als de oudste een dochter is (alleen al dat woordje maar……) ( o nee, wacht dat woordje maar heeft mijn eigen brein erin gefietst), correctie EN als de oudste een dochter is zit ze tegenover haar moeder. (why??). (O wacht, dat staat in de zin erna) Omdat jongens toch naar hun vader kijken en meisjes naar hun moeder (ok ok, klopt) (of nou ja, in ieder geval bij ons thuis) (hmmm, hoe kijk ik eigenlijk naar mijn ouders) (o, nee het ging over mijn eigen gezin). Zo geef je aan wie de verantwoordelijkheid heeft in het gezin (nou nou, we hebben het alleen over aan tafel zitten hè) en maak je duidelijk dat kinderen niets hoeven op te lossen (goed punt).

Toch jammer dat we het op alle punten fout blijken te doen, of nou ja in ieder geval lijken te doen. Ik zit niet naast mijn man, maar wel tegenover hem (dan zijn we ook een ouderteam toch?) aan de ene kant zitten mijn oudste en jongste tegenover elkaar. De jongste (een meisje) zit naast mij (hmm wederom fout, alhoewel ze naast mij zit omdat ze het zo fijn vindt naast mij, misschien kijkt ze daarmee ook een beetje tegen me op? Ieuw dat klinkt niet fijn tegen me opkijken, dat hoeft ze helemaal niet, zou ze dat doen??) Op kop zit onze middelste, een overblijfsel van de autismebegeleiding van waaruit we leerden dat het prettiger voor hem is als er niemand tegenover hem zit (waar!).

Lijken te doen, want ondanks dat we feitelijk niet zitten op de plek zoals het systematisch zou horen nemen we wel heel bewust onze plek in aan tafel. Of wisselen we soms ook heel bewust weer van plekje. Niet om ons aan te passen aan hoe het hoort, maar om de kinderen in een veilige setting te laten ervaren wat sommige dingen met je kunnen doen.

Zo maken we nu weer een beweging om de middelste juist weer naast iemand te zetten, zodat hij vast kan wennen aan iemand naast hem én tegenover hem als voorbereiding op de middelbare school straks. In die beweging nemen we dan meteen mee dat papa het nu niet fijn vindt ingeklemd te zitten tussen 2 kinderen en dat de oudste ook wel eens een plekje wil kiezen, ondanks dat hij geen voorkeur heeft.

En mijn plekje? Ik hou niet van een vast plekje, dus ik zit bij het ontbijt ergens anders dan bij het diner en drink mijn kopje koffie op weer een andere stoel. Altijd ergens anders, dat is ook een systeem, mijn systeem.

 

Zo’n dag in de Breinsmederij 0101

Het is 02.10 uur en ik lig te malen in bed. 2020 is zojuist begonnen en het gelukzalige moment van cocoonen met mijn gezin, beseffen wat voor ontzettende geluksvogel je bent met zo’n fijne thuishaven, sterker nog het voelen in elke vezel van je lijf is nauwelijks voorbij. Ik hoor de gelukzalige zuchten van mijn dochter nog die in slaap valt, het geluid van het dekbed van mijn zoon die zich heerlijk nestelt in zijn bed en voel het warme lijf van mijn man met zijn geruststellende rustige ademhaling. Zijn lijf rustig op en neer als houvast voor mijn gedachtes die overal heen schieten.
 
Ik voel me het meest gelukkige mens op aarde en tegelijkertijd vervloek ik mezelf om dat ik daar niet gewoon gelukkig mee kan zijn. Het leven is goed zoals het is, hier in het vakantiehuisje op Ameland, maar ook thuis. Op vakantie lijkt alleen alles te vertragen en heb ik ook in de praktijk genoeg aan minder. Een spelletje, een paar goede boeken, mijn haaknaald, een heerlijke douche en natuurschoon als je zelfs nog maar de deur open doet. Tijd voor mezelf en tijd voor elkaar. Waarom kan het leven niet altijd zo zijn?
 
Ik baal dat ik niet gewoon kan genieten dat mijn nieuwe baan een schot in de roos is. Een plek met een uitdaging die bij me past, met collega’s waar ik mezelf kan zijn en waar ruimte is voor mij als mens, werknemer en ook als moeder. Alles klopt en toch klopt het niet. En waarom…. omdat ik mijn bedrijf niet kan loslaten.
 
De afgelopen periode was ik natuurlijk ook druk met mijn nieuwe baan, nieuw ritme en indrukken verwerken. Maar eigenlijk was ik drukker met de Breinsmederij. Het lukt me maar niet het los te laten. Ik wil wel wat anders proberen, opnieuw proberen, andere vorm vinden, verder bouwen op wat ik al had, etcetera, maar het lukt me niet om het te laten. Ik blijf malen over hoe ik dan wel iets kan doen om meer mensen te bereiken, trainingen te kunnen blijven geven en te delen van al het goeds wat ik zelf als een verrijking heb ervaren. Alleen met dat delen komt mijn moedergevoel ook steeds meer in het geding, want mijn kinderen hebben recht op hun privacy. En hoewel ik vind dat me meer zouden moeten delen van hoe het werkelijk is en niet van hoe we zouden willen dat het is, wil ik dat niet toepassen op mijn kinderen. En hoewel ik vind dat de wereld nog enorm veel te leren heeft over autisme en hoogbegaafdheid, een bedrijf wat zich daar op richt voelt weer te klein voor mezelf. Als er namelijk iets is wat ik geleerd heb het afgelopen jaar is dat hoe meer ik laat zien waar mijn bijzondere brein gezin mee worstelt, hoe herkenbaarder dat is voor menigeen die niet perse in een hokje past. Falen is natuurlijk wel een heel helder ijkpunt en best toepasbaar op een breder publiek, maar hoe meer ik het falen omarm, hoe meer ik er achter kom dat het misschien wel niet om falen gaat. Falen is zeker een onderdeel van wat ik doe, maar niet de kern.
Zo buitelen de gedachtes weer over elkaar en kom ik voor de honderdste keer op de vraag, maar wat is dan wel de kern? Daarbij wetende dat als ik de kern te pakken heb, ik er eigenlijk al weer klaar mee ben. Het verschil nu is alleen dat het 1 januari is en dat druk legt op mijn gedachtes. Alsof het nu nog meer noodzaak is om het antwoord te vinden om te zorgen dat ik….
 
Dat ik wat… en dan stokken mijn gedachtes direct. Dat ik wat… dat ik… dat… nou ja, dat…. ik weet het niet. Maar echt.. ik weet het niet. Ik sta geblokkeerd, ik kan niet meer nadenken en het enige wat ik zie en voel is een zwart leeg gat. Mijn adem stokt en ik voel lichte paniek.
 
En dan hoor ik mijn man een extra diepe teug adem halen alsof hij zelfs onbewust mij een signaal geeft dat ik gewoon moet blijven ademhalen. Ik adem een paar keer met hem mee en geef me over aan de beweging van mijn borstkas. Tegelijk besef ik me dat dat dus het probleem is, ik weet niet waar ik heen ga en in plaats van wat te doen, haper ik en blijf ik vast zitten. Eigenlijk best een mooi inzicht op 1 januari. Ik weet niet waar ik heen ga, waar de Breinsmederij heen gaat, maar ik weet wel dat ik moet blijven bewegen.
 
Ik wens mezelf dan ook een bewogen 2020 en aangezien ik hoop dat je ook wat uit mijn blog haalt, jou dus ook!

Zo’n dag in de Breinsmederij 1412

15 paar ogen kijken me verwachtingsvol aan, de voorzitster heeft me zojuist geïntroduceerd en aan mij nu de schone taak in 5 rake zinnen mezelf voor te stellen. Nou ja, 5, dat heb ik er zelf van gemaakt want het moet kort en krachtig. Althans, ook dat heb ik er zelf van gemaakt. In mijn hoofd heb ik wel allerlei varianten gemaakt, maar echt lekker lopen die verhaaltjes niet. Moet ik nu wel wat zeggen over de Breinsmederij, wel of niet wat vertellen over mijn privé en wat moet ik zeggen over wat ik ga doen. Het is een nieuwe functie waarbij de exacte inhoud nog bepaald moet worden, dus ja euhhhhh…. Daarbij heb ik sommige van de aanwezigen al wel gesproken en anderen weer pas net een hand geschud, dus wat is dan passend??? Meest irritante is nog wel dat ik de enige ben die me gaat voorstellen dus ik kan me ook niet vasthouden aan het ritme wat ontstaat in zo’n voorstelronde…aaaaargh.

Ik weet dat ik dit soort momenten haat en dat mijn brein dan volledig met me aan de haal gaat. Daardoor gaat mijn ademhaling ook direct stokken en ook nu hoor ik mijn stem weer trillen. Zo irritant, want ik weet hoe belangrijk de eerste indruk is. Zeker als trainer moet ik toch wel gewend zijn aan de aandacht die op mij is gericht is, dus wat zit ik moeilijk te doen? Lekker professioneel ook dat je dan zit te stotteren terwijl je vertelt dat je graag mensen meeneemt in een verhaal….ze zullen wel denken… Ik worstel me door de 5, 8, 2, of 9 zinnen heen. Ik heb echt geen idee meer wat ik heb gezegd.

Wat een schril contrast met de week ervoor , waarbij ik na afloop van een trainingssessie vanuit de Breinsmederij nog de vraag kreeg van een deelneemster of ik ooit wel eens onzeker was. Ze was zo onder de indruk van mijn rustige zelfverzekerde uitstraling, waarbij ik moeiteloos inspeelde om dat wat er gebeurde en precies de juiste dingen zei op het juiste moment. Mijn reactie daarop was een grote schaterlach, wetende dat alleen een volmondig JA een passend antwoord was.

Ik stuurde haar een berichtje na de bewuste vergadering en gaf aan dat ik met nog klamme handjes haar wilde bedanken voor haar opmerking die week ervoor. Dankzij dat moment en de herinnering daaraan kon ik namelijk het gevoel van onzekerheid, er niet bij horen, ik tegen de rest en de enorme lading die ik ophing aan die ene minuut in die vergadering een plekje geven. Nee, ik heb niet op de meest daadkrachtige manier mezelf voorgesteld en ja mijn stem haperde. Maar voor die 15 anderen was ik 1 minuut in een vergadering van 90 minuten en waren ze mijn trillende stem allang weer vergeten toen er een verhitte discussie ontstond over een ander onderwerp. Door te beseffen dat ik niet alleen ben zoals in die ene minuut, maar ook kan zijn zoals die 240 minuten in de training van vorige week gaf ik mezelf weer ruimte. Ademruimte om daarna in elke kennismaking geen enkele last meer te hebben van trillende stem, sterker nog om in die gesprekken niet meer bezig te zijn met mezelf maar met die ander om te doen waarvoor een kennismakingsgesprek bedoeld is, kennismaken met de ANDER.

zo’n dag in de Breinsmederij 611

We zitten in de auto, mijn man rijdt. Een oase van rust, ondanks de radio die met behoorlijk volume aanstaat. Soms klinkt er een kleine opmerking over een liedje, een medeweggebruiker of een ingeving die plots invalt, verder heerst er vooral stilte. We hebben de kinderen afgezet voor een logeerpartij en gaan samen 1 hele nacht naar Utrecht. Ja, een nacht, want voor iedereen weer klaar is en afgezet is het alweer eind van de middag. Het deert ons niet, we hoeven namelijk even helemaal niets. En dus hoeven we ook even niets te zeggen, gewoon samen in een auto is genoeg.

We zaten in de auto, mijn man reed. Het was stil in de auto, ik staarde naar buiten. Gedachtes buitelden over elkaar heen, vooral over het weekend wat voor de boeg stond. Eindelijk waren de kinderen een keer logeren en konden we samen er op uit. Weken had ik er naar uit gekeken om samen weer eens wat te doen. In de auto wachtte ik gespannen of mijn man nu eens wat ging zeggen, maar helaas. Om een gesprek te voeren moest ik weer eens starten, zoals altijd… Ik besloot recalcitrant niets te roepen en dus verliep de reis verder geluidloos. Mijn man neuriede mee met de radio, maar ik verbeet me steeds meer. Waarom kon het ook nooit eens gemakkelijk gaan??

Afgelopen weekend viel me weer eens op hoe groei soms niet snel zichtbaar is, maar soms juist pas na een hele lange periode. Tussen beide autoritjes zit een jaar of 4. 4 jaar waarin ik heel bewust bezig ben geweest met mijn lat, moeten, compenseren en verwachtingsmanagement. Natuurlijk weet en voel ik dat ik een groei als mens doorgemaakt heb, al was het maar door de Breinsmederij, maar soms vergeet je hoe groots die groei is. Waar ik in het begin nog bezig ben geweest met dat ik me nooit meer zo naar wilde voelen als destijds, is dat gevoel helemaal weg. Mijn angst om te vallen heb ik overwonnen met vertrouwen in mezelf. Met speels gemak beweeg ik mee met alles wat er op me afkomt, doordat niet het vallen centraal staat, maar ikzelf. Sterker nog ik reageer niet meer enkel op wat er gaat komen, ik durf ook zelf weer dingen aan te gaan. Of misschien nog wel belangrijker ik durf dingen te laten.

In een weekendje weg hoef ik niet meer vanuit het beste hotel voor de beste prijs de leukste tips in de praktijk te brengen van die ene blog waar je getipt wordt op de pareltjes.  Ik hoef niet meer het meest gezellige weekend ooit te hebben met heel veel plezier en diepe gesprekken. Ik hoef niet meer vanaf de eerste kilometer op de juiste golflengte met mijn man te zitten.

Het resultaat daarvan is een heerlijk weekend ontspannen, waarin we meer deden dan ik vooraf had bedacht. Gewoon omdat we er zin in hadden. Maar het grootste resultaat valt me pas op bij het schrijven van deze blog. Wanneer de zinnen zich ontwikkelen valt me op dat ik in de eerste alinea vanuit een ons perspectief praat en bij de tweede vanuit mijn eigen perspectief. Zonder er over na te denken, of het bewust in te zetten, is mijn boodschap duidelijk. Door los te laten heb je meer houvast.

Zo’n dag in de Breinsmederij 2510

Mijn zoon lijkt glashard te liegen. Vol stelligheid beweert hij dat hij het echt niet heeft gezegd. Terwijl ik zeker weet dat hij het gezegd heeft, 100% zeker.

Daar staan we dan letterlijk tegen over elkaar. Hij ligt mokkend op zijn bed, ik sta in de deuropening mijn stem te verheffen. Ik weet dat ik afstand moet houden om het contact te houden, maar daardoor verhef ik mijn stem harder. Iets waar ik sowieso geen gebrek aan heb. Daarbij voel ik de woede en irritatie bij mezelf oplopen, want ik weet het echt, maar dan ook echt zeker. Het vertroebelt mijn waarneming, want ik kan even niet onder de oppervlakte kijken wat er aan de hand is. Het enige wat ik kan doen is verharden in mijn mening, ik weet het zeker. Het gaat al niet meer om de inhoud, het gaat alleen nog maar om wie er gelijk heeft.

Ik loop naar beneden en controleer bij mijn man wat hij zich nog herinnert. Hij was erbij. Ik neem hem mee naar mijn herinnering en vertel hem wat de een zei en wat toen de ander zei. Hij beaamt dat het gesprek zo liep. Tot we komen bij de afspraak die ik heb gemaakt met mijn zoon. De zin was letterlijk; ‘je moet dus elke avond hetzelfde doen’. Wat blijkt? Ik heb daar direct de koppeling aan dat hij, mijn zoon, dit dus moet doen. Mijn zoon hoort echter alleen maar de algemene zin. Je, men dus, moet dit elke avond doen. En men is algemeen en dus niet specifiek. En dus is er geen koppeling naar hemzelf.

Mijn irritatie slaat direct om naar begrip. Ik snap weer waar de stelligheid van mijn zoon vandaan komt en kan zo een zijstap maken vanuit mijn eigen stelligheid om mijn zoon in beweging te krijgen. Ik loop naar boven, klop op de deur en geef aan dat ik dankzij zijn vader weet dat hij gelijk heeft en dat ik dus sorry wil zeggen. Hij kijkt me even vluchtig aan, een teken dat ik door kan gaan met praten.

Ik neem hem mee naar het gesprek en stap voor stap zijn we het eens over het gesprek en ook over waar het mis ging. Daar waar we de vorige keer in een wellus nietus spelletje terechtkwamen nemen we elkaar nu mee in onze gedachtegang. Lachend legt de één uit wat er bedoeld werd met het geen er gezegd werd én de ander legt uit wat er dan gehoord is en dacht dat er bedoeld werd.

Zo komen we samen tot de conclusie dat hij dan tijdens een gesprek moet vragen wat het dan voor hem betekent en dat ik hem moet vragen of hij nu weet wat hij moet doen. Als bewijs dat het werkt staat hij monter op en begint aan hetgeen we hebben afgesproken dat er gedaan zou worden…oh nee wat hij zou gaan doen :D.

 

 

 

Zo’n dag in de Breinsmederij 1611

Wil je me duwen? We zijn serieus nog geen 10 meter van huis op weg naar school of mijn dochter begint al haar zeurtoontje op te zetten. Ze weet dat ik het onzin vind om haar te duwen. Inmiddels is ze oud genoeg om zelf afstanden te fietsen en helemaal dat kleine stukje naar school. Geïrriteerd geef ik dan ook aan dat ik niet van plan ben om dat te gaan doen.

Al jengelend fietsen we in een tergend tempo door, wat de sfeer niet echt ten goede komt. Ik trap in de valkuil om aan haar te gaan trekken in plaats van gewoon de grens te trekken. ‘Kom op’, ’gewoon fietsen’, ‘Er is niets aan de hand.’ Ondanks dat ik positieve of neutrale woorden probeer te gebruiken, is mijn irritatie hoorbaar. In mijn hoofd spoken meer gedachtes zoals ‘doe even normaal’ en ‘kop op zeg, stel je niet zo aan’ en dat is hoorbaar in mijn toon. Irritatie is niet het goede woord,  het is meer een combinatie van ongeloof en irritatie, want eigenlijk vind ik de hele situatie belachelijk. In zo’n situatie is er ook altijd een soort lach in mijn stem hoorbaar, wat de bui van mijn dochter alleen maar verergerd. Het is duidelijk voor haar dat ik haar echt niet serieus neem.

Ik blijf bewust fietsen, maar daardoor wordt de afstand letterlijk en figuurlijk tussen ons vergroot. Ik merk dat de onwil om zelf te fietsen omslaat in onmacht bij mijn dochter. Haar gejammer is omgeslagen in een echt huilbui. Tegen alle opvoedboeken in besluit ik toch maar naast haar te gaan fietsen en ik begin met duwen.

Ik vraag haar wat haar nu zo verdrietig maakt. Snikkend geeft ze aan dat ze het gewoon zo fijn vindt als ik haar duw. Dat ze heus wel zelf kan fietsen, maar dat als ik haar duw ze het gevoel heeft dat ze nog even bij me kan zijn. Gezien haar dagelijkse worsteling om naar school te gaan weet ik dat ze dit niet verzint als slecht excuus.

We spreken af dat ik haar naar school duw, maar dat we als we samen ergens anders heen fietsen waar we dan ook samen blijven dat ze dan helemaal zelf fietst. Een afspraak waar ze zich vervolgens keurig aan houdt.  Echter is dat niet het belangrijkste resultaat, er gebeurt namelijk ineens iets anders opmerkelijks.

Nu ik haar elke dag duw en me bewust ben dat dit een belangrijk moment is voor haar, geef ik er extra aandacht aan. Er is geen strijd, maar verbondenheid en dat maakt dat ze daarna de stap op school zelfstandig kan maken. Zodra we het schoolplein in zicht hebben meld ze dat ik haar wel los kan laten en dan trapt ze zelf de laatste meters. Op het schoolplein wil ze geen hand meer geven en nog opmerkelijker op school hoef ik niet meer te wachten tot half negen, tot het belletje van de juf gaat. Met liefde geef ik haar dus voortaan een duwtje in de rug.

 

zo’n dag in de Breinsmederij 1110

“Dan moet je er mee stoppen.” Uitdagend  kijkt mijn man me aan, wetend dat dat ene simpele zinnetje voor mij een no go area is. Stoppen komt niet in mijn woordenboek voor. Stoppen voelt als opgeven als mislukken als zinloos dat ik er ooit aan ben begonnen en ja als falen.

Al maanden ben ik om de hete brei aan het draaien. Ik kan niet kiezen welke kant ik nu echt op wil met mijn bedrijf. Ondanks dat ik wel goed in beweging kan blijven en mezelf de ruimte kan geven om dingen uit te proberen voelt het de hele tijd als net niet…

Tijdens de trainingen, de coachmomenten, de twinkel in de ogen van mensen als ik ze raak, als ik ze eyeopeners geef waardoor er lucht ontstaat of kwartjes die vallen die hele bankbiljetten blijken te zijn.. ja dan, dan is het geweldig. Het ontwikkelen van nieuw materiaal, nieuwe boeken lezen, verbanden leggen, toffe oefeningen bedenken is heerlijk. Alleen het punt is zodra ik dat ontwikkel ben ik het startpunt allang weer kwijt. Het grote probleem wat aan de basis stond van de start van een nieuwe training valt in het niet bij alles wat ik daarna weer ontdek. En terwijl ik dus zelf heel gelukzalig de diepte in duik staat mijn klant nog steeds bij het startpunt. En zonder daarmee de problematiek van klanten te bagatelliseren, verre van dat, maar ik voel de pijn van de problematiek niet meer. Dus terwijl ik lekker in  het diepe spring, staat mijn klant nog een beetje met zijn teen in het water te voelen of het water wel lekker genoeg is. En natuurlijk kan ik dan aansluiten bij mijn klant, sterker nog dat is denk ik één van grootste krachten, maar daardoor sta ik wel heel van mijn tijd langs de kant. Terwijl ik sta te popelen om te zwemmen.

Ik wist dus dat mijn man gelijk had toen hij dat zinnetje uitsprak. En met dat besluit kwam er direct een andere optie naar boven, Wat als ik nu eens niet klanten vertel hoe ze moeten breinsmeden, maar als klanten mij kunnen inhuren om te komen breinsmeden? Dat ik lekker de diepte in kan, kan ontrafelen en ontwikkelen en mensen en bedrijven daarin kan meenemen?

Ik tikte bij Indeed wat treffende zoektermen en echt zonder overdrijven stond daar direct DE omschrijving van een geweldig project/traject. Ik wist dat ik daar op moest schrijven, omdat ik anders later spijt zou krijgen. En zo geschiedde, ik schreef een brief, voerde een aantal gesprekken en vanaf 18 november ga ik aan de slag. Niet als zzp’er, maar gewoon in loondienst. Het traject is namelijk niet een project erbij. Het is een project om je in vast te bijten, om vol mee aan de slag te gaan en om mezelf weer volop te kunnen ontwikkelen. Zelfs zo groot dat ik mijn andere baan  heb opgezegd.

Zonde van mijn bedrijf? Welnee! Stoppen is geen optie, weet je nog 😉. Je kan me altijd benaderen om een workshop of training te verzorgen, me gebruiken als klankbord als er een bijzonder breintje vastloopt en blijven genieten van mijn blogs. Wacht alleen niet tot ik iets leuks organiseer, want daar zal het voorlopig niet van komen. Ik ben namelijk heel druk met iets anders leuks, mezelf!

Zo’n dag in de Breinsmederij 77

Facebook laat me een herinnering zien van 5 jaar geleden. Het doet me denken aan dat zomerprogramma van Jeroen Pauw waarin hij samen met bekende Nederlanders terugblikt op de afgelopen 5 jaar en kijkt naar de aankomende 5 jaar.

5 jaar geleden zaten we op een camping in Frankrijk, een vroege vakantie door mijn werk. Althans het was geboekt als vroege vakantie, maar ik was ik er ziek. Anderhalf maand daarvoor was ik namelijk onwel geworden op mijn werk. Al snel bleek het een burn out te zijn. Een vreselijk woord, want het klinkt zo lekker populair. Ah ja, ik had ook een burn out. Alsof je er tegenwoordig niet meer bij hoort als je er niet één hebt gehad. Doordat het zo veel gehoord is haalt het ook de ernst en de heftigheid eraf. Alsof het woord de lading niet meer dekt voor het heftige gevoel van niet weten hoe je je bed uit moet komen, van de alles verpletterende vermoeidheid en de totale machteloosheid en reddeloosheid die je voelt.

Het raakt me dat het alweer 5 jaar geleden is dat het me overkwam, omdat ik pas net het gevoel heb weer bodem te raken. Natuurlijk heb ik me niet 5 jaar lang ellendig gevoeld, maar het proces van helen lijkt nu pas in een stroomversnelling te zijn gekomen. De afgelopen jaren heb ik heel veel aangepast in mijn leven. In het analyseren van het waarom ( daar ben ik heel goed in ) was het heel logisch dat ik een burn out had gekregen. Als risicofactoren worden genoemd mensen met perfectionisme, die moeilijk nee kunnen zeggen, die de lat er hoog hebben voor zichzelf en die de neiging dat wat gebeurt toe te eigenen ipv dat soms ook bij een ander te laten. Ja hoor, jackpot! Dat ik daarbij een veelvragend gezin heb? Uiteraard niet meer dan logisch dat ik een burn out kreeg.

Het feit dat het verklaarbaar was dat ik een burn out kreeg leek te helpen. Ik kon schuilen achter allerlei redenen en hoefde me vooral niet schuldig te voelen dat het me was overkomen. Iedereen begreep het. Ik paste zaken aan in mijn leven en kreeg weer energie terug, vond een baan die niet te veel vroeg en goed te combineren was met thuis. Later toen ik nog meer energie kreeg en mezelf ook meer ruimte durfde te geven ging ik een opleiding doen in faalvaardigheid met verdieping in hoogsensitiviteit. Ook hier kreeg ik de ene verklaring na de ander. Een warm bad van herkenning en erkenning en  waarom ik deed wat ik deed. Ik vond er een drive om mijn bedrijf mee vorm te geven en de wereld een beetje mooier mee te laten worden. Maarrrr…

In alles wat ik de afgelopen jaren deed legde ik de lat niet lager. De lat was nog steeds de  hoge lat die ik verklaarbaar even niet kon bereiken. De lat had ik nog steeds nodig als houvast om me aan vast te grijpen of om naar terug te verwijzen als het even niet lukte. Wanneer mensen me wezen op de immense hoogte van de lat snapte ik heus dat zij vonden dat mijn lat zo hoog lag. Alleen ik ervoer dat niet zo. Zeker niet omdat ik de lat ook vaak haalde, maar dan bagatelliseerde ik het resultaat daarvan. Leuk die opleiding, maar het was geen universitaire studie. Leuk dat bedrijf naast mijn reguliere baan en mijn gezin, maar zo groots is het nu ook weer niet. Dus bleef ik maar verder streven naar het halen van die lat (of misschien nog wel hoger)  en parkeerde ik de mislukte weg naar die lat onder het mom van ‘het lukt nu even niet, want….’. Dan kwamen er duizend en een excuses en dus hoefde ik ook niets met de hoogte van die lat.

Tot ik dit voorjaar eens ging stoeien met die lat, omdat ik voelde dat die lat iets vreemds met me deed. Ik wilde namelijk de lat halen, maar als ik de lat haalde was ik niet tevreden. Dus wat als ik nu eens de lat weghaalde? Wat als ik nu eens de lat anders neerlegde. Wat als die hoge lat geen hoog plafond is, maar een vloer om op te staan? Een lat die niet zichtbaar is voor anderen in de vorm van een succesvol bedrijf, een groot huis of een strak lichaam. Wel een lat die voelbaar is voor mezelf, elke dag goed voor mezelf zorgen en vertrouwen op dat wat ik nu doe goed is, ook al bleek het het verkeerde. Wat als ik me nu eens niet vasthoudt aan een lat, maar aan mezelf? Wat gebeurt er eigenlijk als blijkt dat ik echt het verkeerde heb gedaan, als ik me blootstel aan het idee dat iets me echt niet gaat lukken, omdat ik het niet kan?

Wat er gebeurt is echt verbazingwekkend. Het is de brug tussen weten en doen. Door de opleiding ‘de moed om te falen’ wist ik wat ik moest doen, ik leerde dat ik het simpelweg moest doen. Door het ook écht te doen voel ik bodem en grenzen. Daardoor voel ik dat ik sta en besta en wanneer ik erover een grens heen ga en dat ik even gas moet terug nemen. Ik veroordeel mezelf niet meer als ik over de grens heen ben in het vertrouwen dat het de volgende keer anders zal gaan. Beter misschien, maar misschien ook niet. Het maakt niet, want de paradox is dat ik door de bodem en de grenzen te voelen enorme ruimte voel om te zijn met alles wat daarbij hoort. Pas nu kan ik verdrietig zijn dat het me overkomen is en toelaten wat het gevoel van falen echt met me doet. Pas nu kan ik toegeven dat ik écht een burn out had, ongeacht wat anderen daarvan vinden. Dat het ok is dat me iets is overkomen wat bijna een miljoen anderen ook overkomt , in meer of mindere mate.  

De afgelopen 5 jaar heeft dus in het teken gestaan van helen vanuit een burnout en heeft me enorm gevormd, misschien zelfs weer opnieuw gevormd. Wanneer ik denk over waar ik dan over 5 jaar sta heb ik daadwerkelijk geen idee. Heb ik de stap durven maken naar volledig ondernemerschap? Heb ik een bedrijf in ingewikkelde breinen of falen of filosofie? Ben ik een studie begonnen? Ben ik een sabbatical aan het houden? Ik heb geen idee en I love it, eerst maar eens op vakantie.

zo’n dag in de breinsmederij 175

Stil hè in de Breinsmederij? Was het je al opgevallen dat er even niet zoveel posts waren de afgelopen tijd? Of begin je me inmiddels een beetje beter te kennen en weet je dat het hollen of stilstaan is bij mij. Dat ik zoveel ideeën heb dat ik die allemaal wil delen en dat dus dan ook doe. Of dat ik zoveel ideeën heb dat ik niet weet waar te beginnen en dus ook niet begin? Tja, dan is het dus social media spam of stilte.
Natuurlijk zou ik het graag anders zien, dat ik al keurig content heb klaar staan om te posten, dat mijn workshops al gepland zijn voor de rest van het jaar en dat de folders gedrukt zijn. Maar iets houd me tegen en het begint me te dagen waarom.
 
Het lijkt me namelijk enerzijds enorm rustgevend als dat plan er ligt. Alleen ik voel ook meteen de beperking ervan. Alsof ik dan in een keurslijf van mijn bedrijf moet, terwijl ik zo geniet van de onbeperkte vrijheid ervan. Dat ik kan doen en laten wat ik wil en kan inspringen op hetgeen wat ik op dat moment ook wil. Maar als alles vast staat is die ruimte weg…..
 
En daar komt dus de aap uit de mouw, want mijn brein is gewend te denken in tegenstellingen. Het plaatst bijna automatisch het woordje ‘alles’ in de laatste zin van de vorige alinea. Alles of niets, zwart of wit, mooi of lelijk, hollen of stilstaan. Vroeger zou ik gedacht hebben dat ik nu eenmaal van de extremen ben, dat ik graag uitersten opzoek en dat middelmatig en nuance nu niet echt woorden die ik graag ook in de praktijk breng. Nu ik mindset-trainer ben weet ik dat dat toch echt de vaste mindset is die naar boven komt drijven. De gedachte ‘ik ben nu eenmaal zo’ maakt dat ik mezelf geen ruimte geef én dus vastloop in de ‘hollen of stilstaan’ tegenstelling.
 
Het probleem van tegenstellingen is dat je vooral inzoomt op de tegenstelling zelf in plaats van de onderliggende problematiek. Sterker nog door zo met die tegenstellingen bezig te zijn moet je dus ook altijd iets ergens van vinden. Is het niet van de buitenwereld, dan toch op zijn minst van de keuzes die jezelf maakt. Het stemmetje dat steeds te horen is wanneer je weer iets doet wat je niet meer zou doen, dat zegt dat je je niet mag klagen omdat je zelf ergens voor gekozen hebt. Als je dan dus enorm van hollen houdt, wil je niet te lang stil staan bij stilstaan .
Mijn voorliefde voor hollen heb ik al heel lang. O boy, wat vind ik hollen heerlijk, de adrenaline door me lijf gierend, muziek op standje 10, al die ballen de lucht in en gaan met die banaan. Een soort kick die je dan voelt, verslavend lekker, vooral als er een bal dreigt te vallen en je dat voorkomt. Hollen, I love it.
 
Helaas werd ik gedwogen stil te staan. Na jarenlang teveel gehol kwam de man met de hamer, de angst dat ik het niet meer onder controle had, mezelf niet, mijn lijf niet, mijn gezin niet, mijn werk niet. Een stemmetje dat steeds harder ging roepen dat het echt niet ok was, sterker nog dat ik niet ok was. Het verpletterende gevoel van complete stilstand en helemaal niets meer kunnen. Een naar gevoel, wat ik nooit meer hoop mee te maken en mijn afkeer van stilstaan dus nog groter maakte. Toch besefte ik me daardoor ook dat de noodzaak van eerder af en toe stilstaan groot is. En hoewel ik de jaren erna echt steeds beter leerde stilstaan, bleef het een gevecht. Stilstaan vond ik nog steeds saai, op adem komen een noodzakelijk kwaad om niet weer zo hard te vallen.
 
De afgelopen week viel het mezelf op dat ik wel heel stil was. Niet alleen op social media, ook in mijn omgeving kreeg ik terug dat ik zo stil was. In plaats van te denken, ‘wat gek dat past niet bij mij’ ging ik dieper inzoomen op dit gegeven en probeerde zo de tegenstelling en de onderlinge stukken uit één te rafelen.
 
Hollen, check, heerlijk;
Stilstaan, hmmm, best fijn nu ik dat zo bewust doe;
Of; of?!?!, hoezo óf eigenlijk?! Waarom niet én?!
Daar was ineens het antwoord. De achterliggende problematiek bij hollen of stilstaan, ligt volgens mij in het feit dat het elkaar juist nodig heeft om te kunnen bestaan. Als je niet af en toe stilstaat kun je ook niet heel hard hollen. Het is dus eigenlijk niet een kwestie van of, maar van en. Door alleen maar te kijken naar de tegenstelling zie je slechts één deel van het geheel en mis je de boodschap.
 
Serieus zeg het eens hard op en voel het verschil:
“hollen of stilstaan, hollen of stilstaan, hollen of stilstaan”.
“hollen én stilstaan, hollen én stilstaan, hollen én stilstaan”.
Voel je het verschil? Voel je de beweging die het woordje en met zich mee brengt? Dat is precies wat ik bedoel, ineens ligt de focus op de beweging en niet meer op de tegenstelling. Ineens is er ruimte in plaats van een padstelling, vrijheid in plaats van een beperking. Ineens is er weer een blog 😉.
Fijne zaterdag én zondag.

zo’n dag in de breinsmederij 64

“Doei mam” en weg is hij. Op weg naar school 4 km verder op. Ineens fietst hij zelfstandig 4 km naar school door weer en wind, elke dag van de week! Wat een contrast met nog geen vier maanden geleden. Toen ging hij met vervoer naar school, op zaterdag naar de zorgboerderij en was er weinig ruimte om letterlijk en figuurlijk in beweging te komen.

Voor een buitenstaander lijkt het misschien ‘ineens’ een enorme groeispurt, maar dit is het helemaal niet. Het is het resultaat van maanden, zo niet jaren hard werken. Eigenlijk is het een fantastisch voorbeeld van hoe het werkt met autisme. Boven water is niet te zien hoe hard werken het is onder water.

Onze zoon heeft altijd veel tijd nodig om dingen te puzzelen. Waar het voor een ander wellicht helpend is om niet veel van te voren vermelden helpt het hem juist om ver van te voren te weten wat hem te wachten stond. Het helpt om overzicht en grip te krijgen op wat er staat te gebeuren. Heel gefaseerd bouwen we dan de informatie en het detailniveau op. Af en toe melden we terloops dat het staat te gebeuren over een x aantal momenten. Eerst als een gewone melding “lekker hè fietsen” als we ergens heen gaan. Een paar weken later  wordt dit dan gevolgd door een “volgend jaar ga je elke dag fietsen”. Nog later voegen we meer consequenties toe “als je met de fiets gaat kun je de wekker 10 minuten later zetten”. Hoe groter het item hoe eerder het wordt benoemd.

Vanaf de zomervakantie 2018 weet hij dus al dat hij na de zomervakantie van 2019 elke dag moet fietsen. Fietsen is in zijn geval namelijk best een groot ding. Aangezien hij naar speciaal basisonderwijs gaat staat zijn basisschool niet bij ons in de wijk. Sterker nog hij moet dwars door een drukke dorpsstraat en 2 grote wegen oversteken. Weliswaar een veel gebruikte route door scholieren, maar dus daardoor ook een route met veel prikkels en onverwachtse momenten. Daarbij is 4 km ook best een afstandje, helemaal als je al 2 jaar van deur tot deur wordt vervoerd.  Een harde overgang is daarom niet handig en daarom hadden we  afgesproken dat hij vanaf de voorjaarsvakantie alvast 1 dag zou gaan fietsen om te wennen aan de afstand, de prikkels en de beweging.

Aldus geschiedde, behalve dat hij zelf al vond dat 1 dag eigenlijk niet echt wennen was. Hij wilde hier graag 2 van maken. We spraken af dat dit goed was, maar dat hij zich goed moest beseffen dat als hij besloot 2 dagen te gaan fietsen die week, hij voortaan altijd 2 dagen moest  fietsen. Ook als het geen lekker fietsweer was, ook als hij er even geen zin in had. Dit begreep hij volledig, in ons huis geldt immers al jaren afspraak = afspraak, ook bij de minder leuke zaken. Hij wist dus haarfijn dat, ook al zou het met bakken uit de hemel komen, hij alsnog op de fiets moest. Toch wilde hij echt 2 dagen fietsen. De week erop meldde hij dat hij eigenlijk wel drie dagen wilde fietsen. Het gesprek  herhaalde zich en wederom wilde hij toch fietsen.

 

Het gevoel van vrijheid doet hem goed, zelfregie over wanneer je vertrekt, geen overprikkeling door een heel vol busje, het gemak van flexibiliteit als je zelf kunt gaan en staan waar je wilt, het vertrouwen van je ouders dat je het kan. Waar ik de eerste week nog mee moest om hem op te halen, heeft hij in de derde week al een terugfiets afspraak gemaakt met een klasgenootje. En waar we eerst discussieerden over een tweede dag is nu het vervoer opgezegd.

Ik voel aan alles dat het gemak waarmee dit gaat het resultaat is van de veiligheid en voorspelbaarheid die we hem de afgelopen jaren hebben geboden. Door schade en schande hebben we geleerd om te gaan met zijn andere kijk op de wereld. We hebben hem verteld hoe hij kan omgaan met de wereld en beschermd door anderen te vertellen over de zijne. Maar wellicht het allerbelangrijkste we hebben niet aan hem getrokken om hem sneller te laten groeien. Iedereen groeit in zijn eigen tempo en ik ben blij dat ik heb geleerd om aan te sluiten bij dat van hem. Van daaruit kunnen we hem nu de ruimte geven om zelf op ontdekkingstocht te gaan. The sky is the limit, “Doei, vent”.