Categorie: Blog Sanne

sannE-Eindig met elkaar

 

In de verte doemt het bijzondere gebouw van Naturalis al op. “Kijk, daar is het, ik zie de bloemetjes al van het gebouw”, roep ik enthousiast door de auto. “Bloemetjes??” klinkt het van achteren. “Hoe the &*ck zie je bloemetjes in die cirkels?”. Goed, de toon is weer gezet, iedereen heeft er zin in.

We gaan naar Naturalis, op verzoek van de middelste. Hij is enorm geïnteresseerd in de natuur en heeft Trix al een keer mogen bewonderen tijdens de verbouwing van Naturalis. Nu is het dan EIN-DE-LIJK tijd voor het vervolg. Hij kan niet wachten om naar binnen te gaan en waar hij anders gereserveerd alles op zich af laat komen, heeft hij nu al uitgevonden waar we omhoog moeten. Het gebouw nodigt hem daar toe ook uit, de open sfeer en bijzondere inrichting geven hem letterlijk en figuurlijk een gevoel van ruimte. Het is heerlijk om hem eens voorop te zien lopen en hem zo in zijn element te zien. Geen enkel moment heb ik het gevoel dat ik hem moet beschermen voor de indrukken die hij opdoet. Als een ware gids laat hij me de kleinste details zien van de dingen die hem opvallen om vervolgens de enorme olifant over het hoofd te zien.

We slaan de hoek om en alle vijf laten we dit even op ons inwerken. Wat een imposante opstelling. Je weet niet waar je als eerste naar moet kijken en tegelijkertijd straalt de ruimte rust uit. We lopen langzaam aan verder, maar niet rustig genoeg voor mijn dochter. “Jullie gaan veel te snel, ik heb niet eens kans om alles te lezen” roept ze geïrriteerd uit. Ik geef haar helemaal gelijk en ga naast haar staan om bij het bordje met de 37 vogels één voor één te lezen hoe ze heten en kijk samen met haar hoe ze er dan uit zien. En dat doe ik ook bij het volgende bordje en het bordje daarna en het bordje na haar. Haar leerhonger is vandaag niet te stillen en als echte wetenschapper zoekt ze naar de verbanden in de opstelling en maakt ze koppelingen tussen wat ze eerder heeft gelezen, ziet of al weet. Dolgelukkig loopt ze heen en weer tussen ons om te vertellen wat ze allemaal ontdekt.

Ondertussen ben ik mijn oudste kwijt. Hij is blijkbaar wel klaar met de dieren en is weer naar buiten gelopen. Hij staat bij de reling en kijkt zijn ogen uit naar hoe de bezoekers zich bewegen door het gebouw. Hij volgt hoe gezinnen zich verplaatsen door het gebouw, ziet welke paden veel worden bewandeld en lacht om een moeder die haar kind niet onder controle krijgt. Gaandeweg de dag bedenk ik me dat hij echt een stille genieter is. Hij laat zich nauwelijks horen, zoekt zijn eigen weg, maar aan zijn gefocuste blik kan ik zien dat ook hij alle indrukken opslurpt als snoepjes.

Oók hij, want ook ik geniet met volle teugen van dit museumbezoek. Alleen al als het gebouw opdoemt voel ik een soort adrenaline opkomen, die me de hele dag elk moment bewust laat opslaan. Een week later weet ik nog precies hoe we het gebouw binnen gaan, hoe we de trap op lopen, hoe we de hoek om gaan, hoe ik met mijn dochter bij de rode ibis stil sta en we tegelijk iets willen zeggen over zijn snavel, hoe ik mijn zoon continue ontspannen zuchten hoor slaken, hoe mijn andere zoon liefdevol zijn hand haalt door het haar van zijn kleine zusje, hoe mijn man precies op de juiste momenten vertraagt en versnelt om ons een beetje bij elkaar te houden.

Gek genoeg voel ik die behoefte dit keer helemaal niet meer. Waar ik eerder iedereen angstvallig in de gaten hield om te kijken of elk gezinslid het wel naar zijn zin had, vertrouw ik nu op hun eigen kunnen er een leuke dag van te maken. Daarom kan ik zelf ook zo genieten van alles wat het museum te bieden heeft. En mijn vertrouwen is volkomen terecht, allemaal op hun eigen manier nemen ze de tijd om daar waar hun interesse ligt in te zoomen of nemen ze de tijd om de ander te laten genieten van zijn interesses. Om 17 uur horen we een reminder voor de sluitingstijd, maximaal hebben we genoten van dit dagje weg. We treffen elkaar op de trap en zo eindigen we, langzaam slenterend naar beneden, deze superrrrrelaxte dag met elkaar. Wie had dat ooit gedacht?

sanNe, noem en roem de overeenkomsten

“SNAP SARCASME” hoor ik mijn zoon van destijds 10 heel hard roepen tegen een kleuter. Het is een stralende lentedag en ik loop het plein op voor mijn overblijfbeurt bij de kleuters. Ik scan de kleuters, op zoek naar mijn dochtertje. Haar zie ik niet, maar ik tref dus wel mijn zoon in een verhitte discussie. Het blijkt dat hij ‘op bezoek’ is bij zijn zusje, zoals dat zo mooi heet in Montesorri-land. Blijkbaar heeft de kleuter in kwestie een nogal domme vraag gesteld, heeft hij een sarcastisch antwoord gegeven en snapt het arme meisje er nu helemaal niets meer van. Hij overigens ook niet, want zijn stem schalt nogmaals over het schoolplein als hij antwoord met een ‘nee, JOH’. Glimlachend om zijn overtuigingspogingen loop ik naar hem toe. “Wil ze niet naar je luisteren?’ vraag ik aan hem. “NEE”, verzucht hij heel hard om vervolgens een heel relaas te doen over hoe dom kinderen zijn en wat ze allemaal niet begrijpen. Ik leg hem uit dat sarcasme een moeilijk soort humor is om te begrijpen en dat het wellicht meer zegt over hem, dan over dat meisje. Dat onze normaal nu eenmaal niet representatief is voor andere kinderen of gezinnen. Dat het woord sarcasme geen gangbare woord is, laat staan dat je het begrip kent en begrijpt. Dát vind hij maar moeilijk te begrijpen. Voor hem is het gesneden koek, mede door zijn ouders die verzot zijn op dit type humor.

 
Humor is echt iets wat ons gezin verbindt. Er wordt veel gelachen in ons gezin en doordat we allemaal snelle denkers zijn vliegen de grappen je om de oren. De één heeft een voorkeur voor de humor van het “Jezus_wat_slecht” instagram account, de ander houdt meer van de wat diepere taalgrappen. Waar mijn eigen liefde voor sarcastische humor vandaan komt weet ik niet, wellicht dat ik het mezelf heb aangeleerd in het besef mezelf niet al te serieus te nemen. Een soort manier om mezelf niet te verliezen in die serieuze donkere kant, die ik ook wel heb.
 
Groot was dan ook de stress toen bleek dat ik een autistische zoon had. Al snel kreeg ik namelijk een pakket aan basistips, waar ‘gebruik geen sarcastische humor’ met stip bovenaan staat. Een hele logische tip, immers bij sarcastische humor is afstemmen op het non-verbaal en de toon waarmee de woorden worden uitgesproken een vereiste om de humor te zien. Iets waar de gemiddelde persoon met autisme behoorlijk veel moeite mee heeft. Alleen geen sarcastische humor meer mogen gebruiken is alsof ik niet helemaal mezelf kan zijn. Het zit zo verankerd in mijn communicatie, dat ik echt niet zou weten hoe. En belangrijker nog, ik vind het zó leuk. Uiteindelijk zal ik het met misschien wel kunnen, maar wil ik dat ook??
 
Nee, dat wil ik niet. En daarom heb ik mezelf iets anders aan geleerd. We zijn de grappen gaan ondertitelen, zoals dat heet. Mijn zoon is namelijk mede door zijn autisme, enorm taalgevoelig. Heel vaak wordt de taal letterlijk genomen, waardoor hij ook in staat is om de herkomst van (delen van) het woord te zien. Als we een grap maken, controleren we altijd of hij de grap begrijpt. Soms is de lach groots en is de controle niet nodig. Soms is er een klein geheimzinnig lachje, waaraan we kunnen zien dat hij ergens wel de grap ziet, maar de clou niet helemaal begrijpt. Dan leggen we het even uit. Door hem zo mee te nemen, werden de momenten waar we bijvoorbeeld met zijn allen aan tafel zitten, echt een gezinsaangelegenheid. Ik had niet een één-tweetje met mijn man of andere zoon, maar we lagen met ons hele gezin dubbel van het lachen. Grap in, grap uit hebben we dit herhaald en hebben we hem meegenomen in taalgrappen. Met als resultaat dat hij nu niet alleen de humor begrijpt, maar inmiddels voelt hij zich veilig genoeg om zelf ook sarcastische grappen te maken. Sterker nog, als zijn kleine zusje toch nog even checkt wat er nu precies bedoeld wordt met een grap, is hij de eerste die het lief uitlegt. Overigens blijven anekdotes wel heel lang een eigen leven leiden in ons gezin, dus je snapt hoe die uitleg begint………….. “SNAP SARCASME!!”