zo’n dag in de Breinsmederij 1412

Wellicht heb je hem al eens voorbij zien komen op mijn tijdlijn, maar ik heb iets met de Rubik’s Cube. Het is voor mij het ultieme speelgoed, gek als ik ben op patroontjes en logica.  Perfect vierkant, mooie heldere kleuren, scherp contrast met  de zwarte basis, glad en stevig als het in je hand ligt en een rustgevend krakend geluidje als je de blokjes beweegt. I love it. Het heeft ook iets ondoorgrondelijks; het lijkt zo makkelijk, maar ondertussen was het me nog nooit gelukt om hem op te lossen. Vaak genoeg aan begonnen, maar nooit afgemaakt of doorgezet om het écht te snappen.

Toen ik afgelopen zomer de groeimindset had omarmd was het voor mij dus een mooi moment om de Cube er weer eens bij te pakken. Ik wist namelijk dat er ergens ook weer die eeuwige bewijsdrang zat in het kunnen oplossen van Rubik’s Cube. Ik weet dat ik redelijk intelligent ben, dus een Rubik’s Cube moet ik dan toch ook kunnen oplossen?! Daarbij, het staat zo lekker intelligent als je kunt zeggen dat je de Cube kunt oplossen.

Vrij van dit soort gedachtes ging ik dus afgelopen zomer op pad met mijn Cube. En echt zo tof, het lukte me gewoon. Ik ging aan de slag met zelfbedachte en soms opgezochte algoritmes, keek naar wat er gebeurde in de patronen, liet mijn gedachtes los en mijn handen gaan. Niet het eindresultaat van de Cube maakte me blij, maar vooral het proces er naar toe. Het durven spelen, fouten maken en doorzetten om tot een goed einde te komen. Het niet veroordelen van mezelf, omdat het te lang duurde of ik weer eens wat moest opzoeken, was een verademing.

Tot het moment dat andere mensen zich ermee gingen bemoeien. In plaats van complimenten dat ik het kon, kreeg ik steevast de vraag hoe snel ik de Cube kon oplossen. En of ik de het filmpje gezien had van die jongen die het in 10 seconden kan? En dat filmpje waarin iemand er drie tegelijk oplost al jonglerend?

Ik was geschokt.

Niet over de opmerkingen die ik kreeg, die gaven eigenlijk alleen maar de magische uitwerking aan van de Cube. Wel over mijn eigen gedachtes. Waar ik ervan overtuigd was dat ik de Cube wilde oplossen voor mezelf, was ik blijkbaar toch ook nog steeds bezig met het beeld van andere mensen op mijn kunnen. Blijkbaar is mijn eigen goede gevoel niet genoeg en heb ik toch nog die bevestiging nodig van anderen die zeggen dat ik het goed heb gedaan. Blijkbaar is het eindresultaat toch belangrijker voor me dan ik al dacht. En bizar hoe je eigen overwinningen een enorme grote stap kunnen zijn voor jezelf en tegelijk nietszeggend voor de ander. Zegt dat iets over de ander, zegt dat iets over mij of zegt dat eigenlijk niets? Hoe erg is het eigenlijk dat andere mensen er iets van vinden?

Zo is voor mij de Cube het symbool geworden van mijn eigen groeiproces. Zodra ik hem weer ergens zie opduiken, denk ik met een glimlach terug aan bovenstaande. Het complete proces maakt dat ik me eens te meer besef dat ik gelukkig word van uitzoeken, spelen, leren en dat als ik écht doorzet ik het kan. Dat ik me niet moet laten afleiden door meningen van anderen en dat het er vooral om gaat wat ik er zelf van vind. En dat allemaal met 1 blik op de Cube.  Wist je trouwens dat er ook een Rubik’s Cube bestaat met 5*5 vlakken?

zo’n dag in de Breinsmederij 2811

De deken wil vandaag maar niet naar beneden. Terwijl haar ene broer het huis al heeft verlaten en de andere broer zijn brood al heeft gesmeerd is het boven nog muisstil. Geen gedrentel heen en weer (zie mijn vorige blog), geen vragen over het weer, überhaupt geen geluid. Ze heeft besloten dat de dag niet mag beginnen. Met veel horten en stoten komen de woorden op gang, iets is er spannend en nee het is niet Sinterklaas, het is ook niet het Sintfeestje bij de tennis en ook niet school. Het blijkt vast te zitten op de logopedist waar ze die middag voor het eerst heen moet.
 
Ik weet dat ze nieuwe dingen altijd spannend vind en bereid haar daarom voor op wat komen gaat. Het is niet zozeer het niet weten wat er gaat komen, maar meer de alles wat er zou kunnen gebeuren. Honderden scenario´s over hoe het er uit zou kunnen komen te zien en hoe het zou kunnen gaan zorgen voor chaos. Om haar een beeld te geven, vraag ik haar of ze nog weet hoe het ging op het consultatiebureau. “Die waar ik een spuitje kreeg????”. ‘Ja wel die, maar de vorige keer kreeg je daar geen spuit en gingen we alleen maar praten met de dokter. De dokter stelde een paar vragen en jij mocht op schoot bij mama antwoord geven.’ O ja, dat weet ze nog. Alleen maakt het het er niet minder spannend van.
 
Nukkig kleed ze zichzelf kledingstuk voor kledingstuk aan, tijdrekkend om het moment maar uit te stellen. Bij elke kledingstuk komt er een nieuwe gedachte op over hoe ze zich door deze dag heen gaat worstelen. Ze hoopt niet dat de juf ziek is zoals vorige week, want dan komt het echt niet goed. Ze hoopt wel dat het niet gaat regenen, want anders kan ze niet even lekker naar buiten. Ze hoopt dat er geen kring is, want tja dan zou ze wel eens moeten huilen. Ze hoopt niet dat de juf gaat vragen waarom ze haar smiley op school op verdrietig heeft gezet. Dan gaat de juf namelijk vragen wat er is en dan weet ze ook zeker dat ze heel hard moet huilen.
 
Ik vraag haar wat er erg is aan huilen. ‘Misschien lucht het wel op, als de juf ook weet dat het zo spannend is. Misschien ben je na het huilen wel even de spanning kwijt en is het werken op school daarna makkelijker. Misschien voel je je minder alleen met je verdriet als je het iemand vertelt.’ Ze laat het even bezinken en besluit dat ze gaat beginnen met lezen. Lezen mag altijd, ze heeft er een afspraak over gemaakt met de juf. Als ze een te vol hoofd heeft mag ze lezen in haar boek. Dat hoeft ze niet te overleggen, dat mag ze zelf bepalen. Ondanks dat ze het zelf mag bepalen vraagt ze het toch altijd nog even na bij de juf. De juf weet dit en geeft haar altijd even een geruststellende ja. Geen opmerking over dat ze het toch wel weet, alleen maar ja. Een helpend ritueel, want ook nu weer geeft de gedachte alleen al rust.
 
Op weg naar school ademt ze een paar keer diep in en zegt dan wijs:” Als ik maar gewoon aan de rest van de dag denk, dan komt het wel goed denk ik”. Langzaam aan hoor ik wat ontspanning en er verschijnt zelfs een klein lachje op haar gezicht. Toch blijft ze piekeren, want bij het ophangen van de jas komt de vraag “Wat moet ik dan zeggen tegen de juf?’. Ik vraag haar welke woorden er in ieder geval in de moeten zitten. Dat is een makkie; ‘vol hoofd’ en ‘logopedist’. Ik zeg haar dat dat al bijna een zin is. Ze kijkt me aan en dapper stapt ze naar binnen. Ze wenst de juf goedemorgen, zegt dat ze een vol hoofd heeft van de logopedist en dat ze dus heel graag wil lezen. Natuurlijk mag dat en na een dikke knuffel zwaait ze me uit zonder tranen.
 
En ik, ik kijk nog even door het raam naar mijn dappere meisje en pink een traantje weg.

zo’n dag in de Breinsmederij 911

“10 minuten”.

In de huiskamer van de Breinsmederij zijn dat de heilige minuten in de ochtend. Door het introduceren van deze 10 minuten gaat het bij ons thuis er heel vredig aan toe in het ochtendritueel. We gedijen allemaal heel goed met dit strakke ritme en routineus bewegen we langs elkaar heen van de badkamer naar de eettafel naar de gang naar de schuur. Ieder voor zich bezig met zijn eigen opstart en zijn eigen voorbereiding op de dag die voor hen ligt.

Het ochtendritueel begint bij de wekker van mijn man, althans dat denk ik. Zeker weten doe ik het niet, want ik lig dan nog zwaar in coma. Voor dag en dauw vertrekt hij naar zijn werk, voor mijn gevoel in de holst van de nacht. Avondmens als ik ben, zet ik mijn eigen wekker zo laat mogelijk. Uit ervaring weet ik  dat dit zeven uur is. Ik spring onder douche, terwijl ik hoor dat mijn oudste wakker wordt. Hij is niet zozeer een avondmens, maar wel een avonddoucher. Dat scheelt dus in het schema van de badkamer.

Om 7.15 uur wordt mijn middelste wakker. Hij wil wel graag douchen en lost mij dan af. Ik kan gaan aankleden en maak daarna mijn dochter wakker. Ze heeft nogal haar tijd nodig om wakker te worden, beginnend met haar hoofd onder de deken, maar wel met de grote lamp aan. Per minuut schuift de deken een centimeter naar beneden, terwijl mijn oudste dan zover is om te gaan ontbijten. Hij kan aanschuiven, want we zorgen dat de tafel ’s avonds al gedekt is. Hij kan dan zo beginnen met zijn bakje kwark en het smeren van zijn brood.

De middelste zorgt intussen dat hij zichzelf aankleed. Afhankelijk van zijn algemene humeur liggen of de kleren al klaar op volgorde van aantrekken of is er nog niets gepakt of is er ergens een stapeltje in volgorde van uittrekken van de vorige avond. Onafhankelijk van hoe zijn kleding erbij ligt, hij zorgt altijd dat hij zichzelf aankleedt. Ik ben namelijk niet in de buurt, omdat ik in die 10 minuten bezig ben met zijn broer. Ik loop dan samen met de oudste nog even de dag door, vraag naar de bijzonderheden en of er nog aan iets gedacht moet worden. Ik bespreek nog even de planning voor de avond of iets anders kleins. Vaak is dit het moment waarop er wat ‘o, ja mam’s komen en ik nog net even wat kleingeld kan helpen zoeken voor een kaartje voor het schoolfeest waarvan alleen vandaag nog een kaartje kan worden gekocht.

Mijn middelste kan zichzelf aankleden, omdat hij weet dat de volgende 10 minuten van hem zijn. Om 7. 40 uur vertrekt de oudste naar school en dan heb ik de tijd voor middelste. Dit zijn ook 10 minuten, want om 7. 50 uur moet hij klaar staan voor het vervoer naar school. Voor hem bestaan die minuten uit het zelfstandig zorg dragen voor de inhoud van zijn rugzak. Hij bepaalt graag zelf wat er op zijn brood moet, aangezien dit nogal van wat voorwaarden is voorzien. Wat is het weer, wat is het avondeten, wanneer komen er boodschappen voor nieuw beleg, wanneer is het tostidag op school, kan ik iets anders op mijn brood aan etc etc. We hebben dan ook afgesproken dat hij dit zelf verzorgt. Wel moet ik dan dus in de gaten houden hoe snel de tijd wegtikt. Heeft hij zelf tijd om zijn schoenen te pakken, moet ik even de melk aangeven, denkt hij aan zijn gymtas? Ook hierin zijn we een geoliede machine en is hij precies klaar op het moment dat de taxi voorrijdt.

Mijn dochter heeft intussen alle ruimte boven. Dat is ook wel handig, want opschieten zit er in de ochtend echt niet in. Ze vraagt altijd nog even hoeveel graden het wordt om vervolgens nog drie keer te wisselen van setje. Hierbij drentelt ze dan van haar kamer, naar de badkamer, trapgat, overloop en weer terug in andere volgorde. Geen enkel probleem, ze loopt niemand in de weg haar broers zijn immers rustig aan het ontbijten. Ook wel handig zo’n zus die boven is, want er is altijd wel één broer die vergeten is sokken mee te nemen naar beneden. Ja, bij ons thuis horen sokken bij schoenen en niet bij de kleren. Sokken doe je dus pas aan als je schoenen aan doet. (of in mijn geval überhaupt niet).

Ze zorgt altijd dat ze beneden is als haar  jongste broer weggaat. Soms om haar broer uit te zwaaien , soms om alvast zwijgzaam te beginnen aan een crackertje. Het is maar net hoe ver de deken naar beneden is gezakt. Echter altijd als ik weer terug kom lopen van de oprit, begint ze volop te kletsen. Haar 10 minuten quality-time zijn aangebroken en al kwebbelend hoor ik nog details over het fruit van gisteren, haar goede voornemens van de dag of iets anders wat haar bezig houdt ( bestaat de hemel wel als je hem niet kunt zien?…goedemorgen). Voor mij de tijd om rustig te eten, praten hoef ik zelf amper.

Nadat ik mijn jongste naar school heb gebracht fiets ik nog even terug naar huis. Tijd voor mijn eigen 10 minuten. Ik pak rustig mijn tas, zet ondertussen een kop koffie en bedenk wat de dag me gaat brengen. Ik neem al onze schema’s door, bedenk wat ik allemaal te doen heb en welke bijzonderheden er zijn. Zo overkomt het me zelden dat ik pas bij het avondeten bedenk dat ik nog bakboter moest halen of dat ik nog ergens een afspraak moest maken voor iemand als het al 17 uur is geweest. 10 minuten adempauze en deze controlefreak kan rustig blijven ademhalen terwijl ze van hot naar haar vliegt.

zo’n dag in de Breinsmederij 3110

Geen blog. Geen Facebook, geen Instagram, geen andere social media. Geen zelfstudie. Geen plannen aan het uitwerken. Geen trainingen aan het bedenken. Geen inspirerende bijeenkomsten. De afgelopen weken was er even niets, niet voor de schermen en dit keer dus ook niet achter de schermen bij de Breinsmederij.

Mensen in mijn omgeving kennen dat patroon, ik ben van de hoge pieken en diepe dalen. Hollen en stilstaan, moeiteloos 88 dingen op een dag doen, alles organiseren, bergen werk verzetten, flexibel meebuigen als er iets of iemand anders loopt én dan aan het eind van de dag of de week verbaasd constateren dat ik wat moe ben. Of nou ja, dat ik dan áls ik eenmaal zit, kapot ben en niet meer in staat ben om boe of bah te zeggen. Alsof ik omhoog ben geklommen naar een hoog punt en dan aan de andere kant er heel hard vanaf donder en te pletter val in de afgrond.

Toen ik dus bij hen aangaf dat ik toch wel moe was de laatste tijd en het even wat rustiger aan ging doen, klonk er veel verontrusting in de stemmen door. Meestal val ik dan immers in een groot gat. Mijn moeder vroeg zich af of even rustig aan doen wel voldoende was, mijn collega van Parasschute vroeg of ze zich écht zorgen moest maken en een goede vriendin raadde me aan om toch nog maar weer eens langs een therapeute te gaan. Hoewel ik de lieve adviezen enorm waardeer, voelde ik aan alles dat het dit keer anders was. Ja, even rustig aan doen was écht genoeg, nee zorgen maken is echt niet nodig en nee een therapeute gaat me niet helpen.

Ik had namelijk zelf wat te doen. Het geleerde toepassen in de praktijk. Ik heb namelijk iets cruciaals geleerd het afgelopen jaar bij ‘De Moed om te falen’ van Gavemensen .

De afgelopen jaren heb ik heel hard geprobeerd balans in mijn leven te brengen, om maar niet meer van die berg te vallen. Minder uren werken, hobby’s ontwikkelen, mindfulness in het dagelijks leven toepassen, maximaal 1 keer in de week op pad naast het sporten, haptonoom bezoeken, een ochtend in de week vrij houden voor mezelf etc. etc. Alles om ervoor te zorgen dat ik niet weer zou omvallen. Echter hoe harder ik op zoek ging naar de balans, hoe meer onrust er dan ook verscheen. Hoe meer ik de prikkels verminderde, hoe meer andere prikkels /afleiding ik dan juist ging opzoeken.

Door die andere prikkels raak ik echter nog meer van mijn pad. Daar waar bij veel andere mensen kwartjes vallen en ze zichzelf vinden bij bovenstaande raak ik mezelf nog meer kwijt. Ik zie namelijk dat veel mensen wel gelukkig worden van de balans vinden op die manier, waarom ik dan niet?? Zo’n zelfde gevoel dreigde ook bij de opleiding. Om me heen zag ik allemaal prachtige gevoelige mensen druk met hun comfortzone en eigen grenzen. Er waren uitdagende oefeningen en meerdere keren waren mensen geraakt door de inzichten. Daarmee bereikten ze ook hun grens. Echter daar waar zij de grens voelden, was ik juist net opgewarmd. Bij mij was net de energie gaan stromen en had ik zin om te knallen. Dat kon echter niet, omdat ik daarmee dan over de grens van een ander zou gaan. Iets wat ik nooit zou en zal doen! Damn, was ik weer de vreemde eend in de bijt. Hoe werkt dat dan bij mij?? En waar laat ik dan de energie die wel is opgewekt?

Aangemoedigd door de sfeer en setting kwam mijn ontdekking een paar sessies later. Ik durfde uit te spreken dat ik me helemaal niet herkende in de ervaringen van anderen. Sterker door me te conformeren aan de behoefte en grenzen van anderen, was ik alleen nog maar bezig met hen in plaats van mezelf. Ik respecteerde volledig tot hoever zij konden lopen op de berg, maar vergat dan zelf door te lopen. Ik ging mee wandelen op hun paden, mijn eigen pad volledig uit het oog verliezend, tegelijk voelend dat het niet ok was. Hierdoor ontstond er irritatie, die ik nu eenmaal niet onder stoelen of banken kan steken. Helaas ben ik geen geboren acteur. Door de openheid konden mijn studiegenoten me laten inzien wat het effect was van mijn ongeduldigheid en mijn inhouden. Dus juist door hun grens te respecteren in mijn ogen, hielp ik niemand. Het effect was juist dat ik studiegenoten van me afduwde, terwijl dat het laatste is wat ik zou willen. Ik leerde dat het mooi is om mee te bewegen met anderen, maar ik mezelf ook veel meer de ruimte moet geven om volle bak door te gaan. Anders ben ik zelf geïrriteerd en stoot ik mensen juist af. Anders blijf ik maar doorgaan, zonder er blij van te worden met alle gevolgen van dien.

Ik moet mezelf dus meer ruimte geven in de wetenschap dat ik meer energie heb dan de gemiddelde mens om me heen. Ik moet dan dus juist niet bezig zijn met anderen en wat anderen helpt, maar mijn eigen hoogste punt bepalen en het pad er naar toe. Wanneer je écht ergens heel hard je best voor hebt gedaan dan haal je ook voldoening uit datgene wat je hebt bereikt. Alsof je dan omhoog bent geklommen naar een hoog punt en kunt genieten van het uitzicht in plaats van heel hard te vallen.

Dat is dus ook hetgene wat ik na de opleiding heb gedaan, ik heb me vol energie gestort op mijn eigen bedrijf, in combinatie met mijn baan bij een werkgever en het huishouden. Ik ben er vol tegen aan gegaan en heb me gevoed met de energie die ik daar weer van kreeg. Echter gaandeweg merkte ik dat het toch wel wat veel is af en toe. Ik was weer moe. Maar daar waar eerder moe altijd een voorbode was van heel hard vallen en daarna zoeken naar een nieuwe berg, is het juist nu een een teken om even een pas op de plaats te maken. Ik weet dat ik op de goede berg zit, ik ben alleen maar ‘gewoon moe’ van geleverde arbeid.

Daarom was er dus even letterlijk niets de afgelopen weken. Ik mocht van mezelf even niets doen. Ik genoot intens van dit niets, of eigenlijk van dit alles, van mijn eigen gecreëerde uitzicht. De Breinsmederij staat echt op de kaart, mijn kinderen spelen zelf ergens op de berg. Het was adembenemend, evenals de tocht naar boven. Ik nam daarom mijn tijd om even tot mezelf te komen en voor het eerst voelde ik niet de behoefte om dat te delen, te verantwoorden of te toetsen. Het was goed zoals het was, het was van mij.

zo’n dag in de Breinsmederij 1510

We hebben in huis een heilige graal. Een prachtige glanzende beker, die ontworpen is door mijn middelste zoon. Vorig jaar had hij een kunstproject en samen met zijn klasgenoten had hij een heus museum mét shop, waarin zo´n beker kon worden aangeschaft. Natuurlijk voor een belachelijk hoge prijs en natuurlijk was ik het niet van plan, maar zoals dat gaat…….een week later hadden wij een beker met kunstwerk in huis. Hij had beloofd dat hij hem echt ging gebruiken én dat hij er heel zuinig mee zou zijn, dus vooruit.

Ja sure, hoor ik je denken, maar bij mijn middelste is dat wat je beloofd iets wat je echt doet. Hij had er goed over nagedacht en kwam daarom met een bekerplan. Hij ging de beker bij speciale gelegenheden gebruiken, zoals kerstmis en zijn verjaardag. Daarnaast zou hij hem elke zondag bij de lunch gebruiken, aangezien dat het enige moment van de week is dat wij gezamenlijk aan tafel een boterham eten. Tot slot had hij bedacht dat als we dan een keer warme chocolademelk met slagroom gingen drinken, deze beker daar ook heel geschikt voor zou zijn.

Ja sure, hoor ik je denken, maar bij mijn middelste is dat wat je bedenkt iets wat je ook echt doet. Dus alleen op bovenstaande momenten komt de beker uit de kast. Op alle andere momenten staat hij te pronken. Pronken is wel echt het goede woord, want de beker is toch wel degelijk zijn geld waard. Ondanks mijn waarschuwingen, dat het kunstwerk op de beker zou kunnen gaan vervagen, is dat absoluut niet het geval en glanst de beker je nog steeds tegemoet. Soms staat hij heel eenzaam, omdat alle andere bekers dan in gebruik zijn. Dan nog mag hij niet uit de kast, want het is dan niet het goede moment. Of niet de goede persoon, want zoals je vast begrijpt is de beker van mijn zoon en is hij dus ook de enige die eruit drinkt.

Afgelopen week was ik weer eens ziek. Sinds mijn hersenschudding begin dit jaar is mijn weerstand nog niet op peil en ben ik bij het geringste virusje weer aan de beurt met spierpijn, buikpijn en natuurlijk hoofdpijn. Dit keer sloeg het virusje echter nog wat harder toe en was ik echt een vaatdoek. Bloedirritant, helemaal omdat het heerlijke weer uitnodigde om van alles te doen. Allerlei leuke dingen had ik bedacht, lekker wandelen in het bos, een balletje overslaan met de hele familie op de tennisbaan, picknicken of gewoon lekker in de tuin aanklungelen. Het maakte me eigenlijk niet zoveel uit, als we maar lekker buiten in beweging waren.

Mijn kinderen weten hoe blij ik daar van word en hadden dan ook best medelijden met me. Daar lag mama op bed of op de bank en veel meer dan boe of bah kwam er niet uit. Sowieso is het gek als mama’s ziek zijn, maar hoe laat je nu zien dat je zorgzaam bent? Ze deden hun uiterste best om niet te zeuren, deden uit zichzelf hun zondagse taak (kamer opruimen) en probeerden geen lawaai te maken. Verschrikt keken ze mijn kant op als het dan even niet lukte, om gerustgesteld door mijn glimlach daarna weer verder te gaan. Ik overweeg serieus om af en toe net te gaan doen alsof ik ziek ben :D.

Ik mocht zelfs de film uitzoeken voor bij het eten. Toen ik plagend de film voorstelde die ik al weken voorstelde, maar waar ik altijd 4 keer een nee op krijg, klonk er zelfs een unaniem ja. Als een koningin lag ik op de bank met een dekentje, netjes om me heen gedrappeerd door mijn dochter. Zij en mijn oudste waren inmiddels gewend aan de situatie en kropen naast me op de bank. Voor mijn middelste was het nog steeds gek. Om zichzelf een houding te geven ging hij papa helpen met het eten indoen. Ik had niet veel trek, maar een kopje bouillon doet altijd wonderen. Helemaal toen bleek dat mijn zoon de bouillon had ingeschonken in ZIJN beker. Zijn manier om zorgzaam te zijn, krachtiger dan welke medicijn ook.

zo’n dag in de Breinsmederij 110

Ik weet het nog als de dag van gisteren. Het was zo’n heerlijke vakantieochtend, je rook de frisheid van de nacht en voelde tegelijk de warmte en kracht van de zon al branden op je huid. Het was ergens in de ochtend, onder de grote boom die voor onze mobile home stond. Zo’n boom die elk kind tekent als hij gevraagd wordt om er één te tekenen. Een boom met een dikke stevige stam, waar je armen niet omheen passen, met enorm bladeren in een frisse heldergroene kleur, statig staand, alle aandacht naar zich toetrekkend. We waren net toe aan een kop koffie en ik had me met een boek geïnstalleerd in de schaduw van deze boom.

Zoals altijd op vakantie had ik een stapel boeken meegenomen. Dat jaar had ik vooral veel boeken meegenomen over hoogbegaafdheid. We hadden in het half jaar daarvoor besloten onze oudste toch maar een klas over te laten slaan en de jongste was al druk aan lezen. Tijd dus om wat extra achtergrondinformatie tot me te nemen.  Ik begon met het boek van Rineke Derksen, hoogbegaafdheidsspecialist en oprichtster van het GelukkigHB platform. Al op pagina 16 stond daar dat ene zinnetje; “ben je vooral aan het bewijzen dat je slim bent of ben je bezig met nieuwe dingen leren?”.

Hè, wacht even, ik ging een boek lezen om mijn kinderen beter te begrijpen…maar dit is exact wat ik zelf al mijn hele leven aan het doen ben. Als iemand vraagt naar mijn opleiding, heb ik allerlei excuses waarom ik geen universiteit heb gedaan. Het feit dat ik Cum Laude ben afgestudeerd voor mijn HBO-opleiding ervaarde ik meer als plicht naar mijn intelligentie dan als verdienste van mijn harde werken. Het combineren van een fulltime baan met het moederschap was niet meer dan logisch, ik moest natuurlijk wel bewijzen dat je prima een carrière kan hebben naast moeder zijn. Overigens zonder dat mijn kinderen hier last van zouden hebben.

Toen de man met de hamer langskwam en ik volledig onderuit ging, niet meer de puf had om de trap af te lopen als ik wakker was geworden, was dit voor velen een logische consequentie van de tropenjaren die ik achter de rug had. Hoewel ik wel mee kon gaan in die redenaties en wist dat ze gelijk hadden, voelde ik dat nergens. Ergens was er nog steeds een stemmetje die zei dat ik dat heus wel had gekund, als de kinderen maar hadden doorgeslapen, als ik maar niet zover van mijn werk had gewoond, als ik maar geen late diensten had hoeven te draaien, als ik maar een wekelijks een hulp had gehad, als ik maar…

De jaren die volgden heb ik heel bewust gekozen voor een kleine parttime baan, mede doordat onze kinderen steeds meer lieten zien dat ze niet het gebaande pad kiezen. Wanneer mensen aan me vroegen wat ik voor werk deed, verontschuldigde ik me altijd voor de maar 16 uur die ik werkte. Complimenten die ik kreeg voor het werken naast het runnen van ons bijzonder-brein-gezin wuifde ik weg. Even serieus, drie dagen werken onder schooltijd vraagt toch echt niet heel veel. Helemaal niet met de baan die ik heb, want ik heb een ontzettende flexibele baan en het vraagt nou ook niet echt het onderste uit de kan. Het voelt meer als bijbaantje dan een baan van betekenis.

Een baan van betekenis. Blijkbaar is dat dan toch heel belangrijk voor me, van betekenis zijn. Alleen door continue op zoek te zijn naar mijn betekenis voor anderen (letterlijk door mijn keuze voor een baan in de gastvrijheidsbranche) ben ik de betekenis voor mezelf kwijt geraakt. In de tijd van mijn fulltime baan, kreeg ik veel commentaar van mensen die vonden dat ik mijn kinderen te weinig zag. Dat mijn man thuis was bij de kinderen, maakte geen verschil. Toen ik toch maar 1 dag ouderschapsverlof op ging nemen, kreeg ik te horen dat ik geen goede manager was. Ik was er namelijk maar 4 van de 7 dagen. Nergens heb ik me afgevraagd wat mijn eigen wens was. Ik was alleen maar aan het bewijzen dat ik heus wel een goede moeder was, goede werkneemster én goede werkgeefster voor de mensen aan wie ik leiding gaf.  O ja, en goede vrouw en goede dochter en goede (schoon)zus en goede vriendin en goede buurvrouw en goede..

En ineens was daar dus dat zinnetje, dat ongetwijfeld door de context van het boek en de omgeving waarin ik hem las,  zich als een zaadje in mijn hoofd plantte. Genietend van de warmte van de zon, de geluiden van de spelende kinderen om me heen, de veilige aanwezigheid van mijn man naast me, liet ik dat zinnetje in mijn hoofd rond gaan. Wat als ik nou eens niet meer hoef te bewijzen, wat nou als ik gewoon ik mag zijn, wat als ik mezelf de ruimte geef om te leren, wat als dat zaadje in mijn hoofd nu eens uitgroeit tot de prachtige boom waar ik onder zit?  Wat als de dagdroom nu eens dagelijkse werkelijkheid wordt? Dan ben je ruim een jaar later trotse eigenaar van de Breinsmederij en geef ik betekenis aan het hebben van een bijzonder brein. Dan ben je mindset-trainer en kan ik alleen maar hopen dat heel veel mensen daar de vruchten van plukken.

zo’n dag in de Breinsmederij 249

Het belooft een relaxte zondag te worden. Iedereen wordt wakker op zijn eigen tempo, maakt een ontbijtje en vindt daarna zijn eigen weg in huis. Ik nestel me met een pot thee en de weekendbijlage van de krant aan de keukentafel. Op de achtergrond speelt een muziekje en spelen de jongste twee gebroederlijk naast elkaar bij het autokleed. Dan wordt de vraag gesteld of er nog wat op programma staat vandaag. Dat is niet zo, in de hectiek van de week proberen we in het weekend ook altijd een dagje rust in te bouwen. Mijn middelste zoon zit goed in zijn vel; hij heeft dit keer geen last van de niet ingevulde tijd die op hem af kan komen als naderend onheil. Hij bedenkt dat hij zin heeft in een spelletje. Met de regen die op het raam tikt, klinkt dat voor iedereen als een heel goed plan. Zo gaan we dus op zoek naar een spelletje waar iedereen zin in heeft.

 

In tegenstelling tot wat je misschien denkt is het uitzoeken van een spelletje zo gepiept. We houden allemaal van spelletjes spelen en weten daarom goed de voor- en nadelen van de spellen die in de kast staan. Daarbij zijn er niet veel spellen waarbij we allemaal mee kunnen doen. Het moet een spel zijn waarbij mijn jongste dochter alles zelluf kan doen  Het spel moet ook niet teveel wachttijd hebben, zodat mijn middelste zoon geconcentreerd kan blijven op het spel. Het spel moet niet al teveel strategie bevatten, omdat anders mijn oudste zoon teveel moet bewijzen van zichzelf dat hij moet winnen. O ja, en zelf vinden mijn man en ik het ook wel leuk als het spel iets meer diepgang heeft dan kwartetten. Kortom, het kiezen van een spel is snel gedaan :D.

 

De keuze valt al snel op Keezen, een combinatie van Mens erger je niet en pesten. Een spel dus, waarbij alle alarmbellen af gaan. Ik vraag me dan ook hardop af of dit slim is, aangezien dit erg veel van ze vraagt. Ik vraag aan ze of ze zich daarvan bewust zijn en ik benadruk dat het kan zijn dat je verliest, dat het wel eens niet kan gaan zoals je denkt en dat ik daar dan geen gedoe over wil.  Ik krijg een ‘jaaaaa mam’ in koor en vertrouw ze gezien de relaxte sfeer van de ochtend.

 

We gaan van start en de eerste paar rondes gaan goed. De middelste denkt daar anders over Hij krijgt verkeerde kaarten, waardoor hij de eerste 6 rondjes niet mee kan doen. Ik vind het goed gaan, omdat hij blijft proberen gezellig aan tafel te zitten. Ik zie hoeveel moeite het kost en benoem hardop dat ik het knap van hem vind dat hij aan tafel blijft zitten. De oudste heeft moeite om de jongste haar eigen spel te laten spelen. Mijn man wijst hem nogmaals op het feit dat zij het echt zelluf wil doen en dat er dus ook bij hoort dat ze even nadenkt over welke stappen ze gaat doen. Het duurt nog een paar beurten waarin hij zijn handen voor zijn mond slaat als hij weer ongevraagd advies geeft, maar even later speelt iedereen zijn eigen spel. Het spel ontwikkelt zich en het wordt steeds spannender. In zijn enthousiasme versnelt de oudste zijn spel, waardoor de middelste het niet meer kan volgen. Hij raakt de draad kwijt en de frustratie loopt op. Met een snik in de stem en uit de steekwoorden die hij uitkraamt maken we op dat hij het even niet begrijpt en niet weet waar hij verder moet. Dit is een punt wat we herkennen en waarvan iedereen weet dat hij even tijd en ruimte nodig heeft. Dus geduldig wachten we dan ook een seconde of 30 in complete rust tot de frustratie zakt. Als hij dan zelf weer de kaarten oppakt, weten we dat we weer verder kunnen met het spel. We roemen de middelste over het feit dat hij goed rustig is gebleven, aan tafel is blijven zitten en het bord niet heeft verschoven. We geven de oudste de tip, om lekker fanatiek te blijven spelen bij zijn ouders.

Niet veel later is het de jongste die huilend aan tafel zit. Ze had een heel mooi plan bedacht, maar wordt door mij van het bord geslagen. Natuurlijk hou ik heus wel een beetje rekening met de zetten die ik doe, maar incasseren hoort nu eenmaal bij spelletjes spelen. We zeggen haar de tranen te drogen en weer mee te doen. We raken wat geïrriteerd als dat niet meteen lukt. Tot ik besef hoe oneerlijk het eigenlijk is. Ik verwacht van mijn 6-jarige een inzet, die ik bij mijn middelste ook niet zie. Waar ik bij mijn middelste dat dan volledig kan laten en tijd kan geven, want ja hij is immers autistisch, irriteer ik me bij haar aan het niet voldoen van de norm. Ik spreek deze gedachte hardop uit en het verbindt ons direct. Mijn dochter voelt zich gehoord, waardoor haar tranen als vanzelf stoppen, Mijn middelste wil niet worden weggezet als slachtoffer en herpakt zich met nieuwe energie. Mijn oudste geeft me een gelukzalige glimlach, aangezien hij iedereen het liefst gezellig samen aan tafel zit. 

We maken het spel af. De kinderen vormen een blok tegen papa, die lijkt te gaan winnen. Natuurlijk is er nog frustratie als iemand van het bord wordt geduwd, maar de lol overheerst. Stilletjes geniet ik van het samenzijn en kijk ik naar mijn drie schatten aan de overkant van de tafel. Met trots vanwege de wilskracht van mijn kinderen om een moeilijk spel aan te gaan en op hun doorzettingsvermogen om het spel af te maken. En voldaan, want waar 4 honden vechten om een been…………gaat mama met de overwinning heen. 

sanNe, noem en roem de overeenkomsten

“SNAP SARCASME” hoor ik mijn zoon van destijds 10 heel hard roepen tegen een kleuter. Het is een stralende lentedag en ik loop het plein op voor mijn overblijfbeurt bij de kleuters. Ik scan de kleuters, op zoek naar mijn dochtertje. Haar zie ik niet, maar ik tref dus wel mijn zoon in een verhitte discussie. Het blijkt dat hij ‘op bezoek’ is bij zijn zusje, zoals dat zo mooi heet in Montesorri-land. Blijkbaar heeft de kleuter in kwestie een nogal domme vraag gesteld, heeft hij een sarcastisch antwoord gegeven en snapt het arme meisje er nu helemaal niets meer van. Hij overigens ook niet, want zijn stem schalt nogmaals over het schoolplein als hij antwoord met een ‘nee, JOH’. Glimlachend om zijn overtuigingspogingen loop ik naar hem toe. “Wil ze niet naar je luisteren?’ vraag ik aan hem. “NEE”, verzucht hij heel hard om vervolgens een heel relaas te doen over hoe dom kinderen zijn en wat ze allemaal niet begrijpen. Ik leg hem uit dat sarcasme een moeilijk soort humor is om te begrijpen en dat het wellicht meer zegt over hem, dan over dat meisje. Dat onze normaal nu eenmaal niet representatief is voor andere kinderen of gezinnen. Dat het woord sarcasme geen gangbare woord is, laat staan dat je het begrip kent en begrijpt. Dát vind hij maar moeilijk te begrijpen. Voor hem is het gesneden koek, mede door zijn ouders die verzot zijn op dit type humor.

 
Humor is echt iets wat ons gezin verbindt. Er wordt veel gelachen in ons gezin en doordat we allemaal snelle denkers zijn vliegen de grappen je om de oren. De één heeft een voorkeur voor de humor van het “Jezus_wat_slecht” instagram account, de ander houdt meer van de wat diepere taalgrappen. Waar mijn eigen liefde voor sarcastische humor vandaan komt weet ik niet, wellicht dat ik het mezelf heb aangeleerd in het besef mezelf niet al te serieus te nemen. Een soort manier om mezelf niet te verliezen in die serieuze donkere kant, die ik ook wel heb.
 
Groot was dan ook de stress toen bleek dat ik een autistische zoon had. Al snel kreeg ik namelijk een pakket aan basistips, waar ‘gebruik geen sarcastische humor’ met stip bovenaan staat. Een hele logische tip, immers bij sarcastische humor is afstemmen op het non-verbaal en de toon waarmee de woorden worden uitgesproken een vereiste om de humor te zien. Iets waar de gemiddelde persoon met autisme behoorlijk veel moeite mee heeft. Alleen geen sarcastische humor meer mogen gebruiken is alsof ik niet helemaal mezelf kan zijn. Het zit zo verankerd in mijn communicatie, dat ik echt niet zou weten hoe. En belangrijker nog, ik vind het zó leuk. Uiteindelijk zal ik het met misschien wel kunnen, maar wil ik dat ook??
 
Nee, dat wil ik niet. En daarom heb ik mezelf iets anders aan geleerd. We zijn de grappen gaan ondertitelen, zoals dat heet. Mijn zoon is namelijk mede door zijn autisme, enorm taalgevoelig. Heel vaak wordt de taal letterlijk genomen, waardoor hij ook in staat is om de herkomst van (delen van) het woord te zien. Als we een grap maken, controleren we altijd of hij de grap begrijpt. Soms is de lach groots en is de controle niet nodig. Soms is er een klein geheimzinnig lachje, waaraan we kunnen zien dat hij ergens wel de grap ziet, maar de clou niet helemaal begrijpt. Dan leggen we het even uit. Door hem zo mee te nemen, werden de momenten waar we bijvoorbeeld met zijn allen aan tafel zitten, echt een gezinsaangelegenheid. Ik had niet een één-tweetje met mijn man of andere zoon, maar we lagen met ons hele gezin dubbel van het lachen. Grap in, grap uit hebben we dit herhaald en hebben we hem meegenomen in taalgrappen. Met als resultaat dat hij nu niet alleen de humor begrijpt, maar inmiddels voelt hij zich veilig genoeg om zelf ook sarcastische grappen te maken. Sterker nog, als zijn kleine zusje toch nog even checkt wat er nu precies bedoeld wordt met een grap, is hij de eerste die het lief uitlegt. Overigens blijven anekdotes wel heel lang een eigen leven leiden in ons gezin, dus je snapt hoe die uitleg begint………….. “SNAP SARCASME!!”

zo’n dag in de Breinsmederij 109

En zo zit ik dus achter de computer om mijn wekelijkse blog te schrijven. Alhoewel ik zit wel, maar van schrijven is niet echt sprake… Allerlei gedachten spoken door mijn hoofd, al tig ideeën en varianten zijn de revue gepasseerd, maar elke keer ben ik niet tevreden.
 
 
In het begin had ik allerlei ideeën, waarvan ik trouwens zeker weet dat ik er ooit nog over ga bloggen. Alleen toen begon de twijfel, want welk idee was op dit moment nu het beste idee? Het is immers de eerste blog, nadat ik heb gezegd dat ik wekelijks ging bloggen. Dus ik moet wel een soort van thema hebben, een signature waaraan je herkent dat het mijn wekelijkse blog is. Het leukst is natuurlijk een titel of dat de blog begint met een vaste zin of in een bepaalde vorm is gegoten.
 
 
Al brainstormend kwam ik vorige week op “zo’n dag”, omdat de breinsmederij ook staat voor spelen. Spelen met woorden en beelden om zo je brein de vrije loop te laten gaan en zo flexibiliteit te trainen. Zo’n dag verwijst dan naar de zondag in het weekend, omdat het wel gaat over mijn eigen stuk. Het weekend geeft toch een beetje een huiselijk gevoel. Het verwijst dan ook naar zo’n dag, zo’n moment waarop er iets gebeurt en waaruit ik lering trek (of gewoon schaamteloos om moet lachen). Als ik hem dan ook nog structureel zou posten op zondag zou dat natuurlijk extra leuk zijn.
 
Tot dusver geen wolkje aan de horizon, helemaal blij met dit idee probeer ik vorm te geven aan mijn eerste blog. De eerste dagen is er nog een creatieve stroom aan gedachtes, maar aan het eind van de week slaat dit om in (keuze)stress. Ik heb immers nog maar 3 dagen om de blog te schrijven, zondag moet hij online staan. Moet ik nu bloggen over de Rubikscube, de halve dag die ik spendeerde aan de juiste agenda voor mijn zoon, het ( niet) slapen van de kinderen of gewoon over de eerste opstartweek en hoe het niet zo vlekkeloos liep als gedacht?!Ja, dat kan natuurlijk allemaal, maar welke dan nu?
 
 
De stress verlamt me en in plaats van bezig zijn met de blog, merk ik een gedachtestroom op die naar binnen slaat. Eerst twijfel ik nog aan de blog, vervolgens aan al mijn social media activiteiten, dan aan de boodschap die ik uit wil dragen met mijn bedrijf, dan aan überhaupt mijn bedrijf. Vaste mindset all over!!!
 
 
Gek genoeg is dat voor mij juist de prikkel die ik nodig heb. De afgelopen tijd heb ik mezelf aangeleerd dat als ik een vaste mindset constateer bij mezelf, het de eye-opener is die ik nodig heb. De constatering is een herkenningspunt van waaruit ik nu mezelf ruimte kan geven om te bewegen. Ik ben weer in de valkuil gestapt, maar hoef mezelf daar niet over te veroordelen. Ik weet hoe ik er uit moet stappen. Voor mij werkt het dan het best om weer helemaal terug te gaan naar het begin en overnieuw te beginnen aan het pad dat volgt op de beslissing. Dus dat is wat ik doe.
 
 
Ik begin bij de beslissing om wekelijks te bloggen. De beslissing is genomen, ik ga niet meer nadenken over of ik het ga doen. Ik ga het doen!! Waarom ging ik ook alweer bloggen? Niet omdat ik elke week op zondag een blog moet publiceren, maar omdat ik er blij van werd! Direct begint er weer van alles te stromen en kan ik mezelf ruimte geven. Zondag publiceren is geen must en eigenlijk niet handig met een gezin om me heen. Ik weet overigens heus dat ik kan instellen wanneer hij gepubliceerd wordt, maar ik ben niet zo goed in vooruitwerken..(je voelt hem aankomen hè, ook een leuk blogonderwerp ).
 
 
Voortaan dus een blog op maandag onder de werktitel zo’n dag in de Breinsmederij. Eigenlijk ook wel passend, een beetje tegendraads. Of heb je een betere titel?

Zo’n dag

Vandaag is zo’n dag waarop ik de hele tijd op twee gedachtes hink. Zo’n laatste dag van de vakantie dat er bewust nog even niets hoeft, waarop ruimte is voor aandacht voor elkaar en de tijd nog geen enkele rol speelt. Een dag waar ik extra van lijk te genieten in de wetenschap dat het de laatste is en waarop ik alvast begin met herinneringen op halen van de heerlijke zomer. Tot het besef komt dat als dit de laatste dag is, dat het dan morgen de eerste dag is. De eerste dag dat ik weer moeD…..

 
…nodig hebt. Het is namelijk niet de gedachte aan weer van alles moeten, maar het is vooral de gedachte aan alles wat weer van ons verlangt en verwacht wordt die mij bezig houdt. Iets waarin ik niet alleen sta, alle bijzondere breintjes om me heen hebben hier last van. De één heeft vooral moeite met het onbekende; komt de nieuwe buschauffeur wel op tijd? De ander heeft vooral moeite met het bekende; hoe moet dat nu als we eerst weer de letters gaan oefenen die ik al lang ken? De één is vooral bezig met zichzelf; ik ga beter leren in het begin, want dan kan ik proefwerken in de proefwerkweek beter compenseren. De ander is alleen maar bezig met alle anderen in de klas; ik denk dat ik in de pauze met die en die ga spelen. Ondanks al die verschillende gedachtes en invalshoeken hebben we één ding gemeen, morgen voelt niet als onze comfortzone.

 
De afgelopen weken voelden we ons heerlijk in onze magische bubbel waarin we zelf bepaalden welke prikkels we binnen lieten en onze wereld er tijdloos en voorspelbaar uit zag. Er was alle ruimte om hobbels weg te nemen en knoppen om te zetten en het leek wel alsof onze breinen waren genezen en ‘gewoon’ werkten. En dan ineens is er morgen, de dag die op ons afkomt alsof hij ons gaat overvallen en we ons zelf weer kwijt raken.
 
Maar hè wacht eens even, is dat niet precies waar het in de Breinsmederij om gaat? Dat we leren hoe we onszelf (of de kinderen in onze lee(r)/(f)omgeving zichzelf) niet kwijtraken in de buitenwereld? Dat we (hen) leren om te gaan met de buitenwereld zodat we ook in ons dagelijkse leven een comfortzone ervaren? Dat we ons niet verschuilen en wachten tot de zon weer schijnt (niet te uitbundig 😉), maar dat we leren aan te gaan en het randje van de regenbui op te zoeken. Dat we leren dat het ok is om van dat randje af te vallen in de wetenschap dat je genoeg veerkracht hebt om weer op te staan. En dat dus alles wat je nodig hebt een beetje MOED is om op dat randje te gaan staan?

 
Ja, dat is precies waar het om gaat! En dus geef ik mezelf een beetje moed en bedenk ik me dat het morgen de dag is waarop ik eindelijk mag! Morgen gaan we namelijk weer allemaal aan het werk en naar school en heb ik de letterlijk de ruimte om alle leuke plannen die ik in mijn hoofd heb bedacht om te zetten in acties. Trouwens waarom wachten op morgen? Ik begin gewoon vandaag. Één van de acties is namelijk het wekelijkse bloggen over de huiskamer van de Breinsmederij. Om je te laten zien dat er net als vandaag heel veel van zulke dagen zijn. Om je te laten zien hoe bijzondere breinen werken. Om practice what yoy preach uit te dragen. Schrijven over mijn eigen breinkronkels is namelijk (soms over) het randje van mijn comfortzone.

 
Maar bovenal blog ik voor mezelf, omdat het me helpt mijn gedachtes richting te geven en te kaderen. Het dwingt me een punt te zetten achter kronkels en zo geef ik mezelf een schop onder de kont die ik af en toe heel hard nodig heb. Het is mijn manier om mezelf moed te geven om in het echte leven op het randje te gaan staan. Om vanuit mijn comfortzone van mijn binnenwereld ook in de echte buitenwereld mezelf te zijn.
 
 
Dus tot volgende week!!