Zo’n dag in de Breinsmederij 2510

Mijn zoon lijkt glashard te liegen. Vol stelligheid beweert hij dat hij het echt niet heeft gezegd. Terwijl ik zeker weet dat hij het gezegd heeft, 100% zeker.

Daar staan we dan letterlijk tegen over elkaar. Hij ligt mokkend op zijn bed, ik sta in de deuropening mijn stem te verheffen. Ik weet dat ik afstand moet houden om het contact te houden, maar daardoor verhef ik mijn stem harder. Iets waar ik sowieso geen gebrek aan heb. Daarbij voel ik de woede en irritatie bij mezelf oplopen, want ik weet het echt, maar dan ook echt zeker. Het vertroebelt mijn waarneming, want ik kan even niet onder de oppervlakte kijken wat er aan de hand is. Het enige wat ik kan doen is verharden in mijn mening, ik weet het zeker. Het gaat al niet meer om de inhoud, het gaat alleen nog maar om wie er gelijk heeft.

Ik loop naar beneden en controleer bij mijn man wat hij zich nog herinnert. Hij was erbij. Ik neem hem mee naar mijn herinnering en vertel hem wat de een zei en wat toen de ander zei. Hij beaamt dat het gesprek zo liep. Tot we komen bij de afspraak die ik heb gemaakt met mijn zoon. De zin was letterlijk; ‘je moet dus elke avond hetzelfde doen’. Wat blijkt? Ik heb daar direct de koppeling aan dat hij, mijn zoon, dit dus moet doen. Mijn zoon hoort echter alleen maar de algemene zin. Je, men dus, moet dit elke avond doen. En men is algemeen en dus niet specifiek. En dus is er geen koppeling naar hemzelf.

Mijn irritatie slaat direct om naar begrip. Ik snap weer waar de stelligheid van mijn zoon vandaan komt en kan zo een zijstap maken vanuit mijn eigen stelligheid om mijn zoon in beweging te krijgen. Ik loop naar boven, klop op de deur en geef aan dat ik dankzij zijn vader weet dat hij gelijk heeft en dat ik dus sorry wil zeggen. Hij kijkt me even vluchtig aan, een teken dat ik door kan gaan met praten.

Ik neem hem mee naar het gesprek en stap voor stap zijn we het eens over het gesprek en ook over waar het mis ging. Daar waar we de vorige keer in een wellus nietus spelletje terechtkwamen nemen we elkaar nu mee in onze gedachtegang. Lachend legt de één uit wat er bedoeld werd met het geen er gezegd werd én de ander legt uit wat er dan gehoord is en dacht dat er bedoeld werd.

Zo komen we samen tot de conclusie dat hij dan tijdens een gesprek moet vragen wat het dan voor hem betekent en dat ik hem moet vragen of hij nu weet wat hij moet doen. Als bewijs dat het werkt staat hij monter op en begint aan hetgeen we hebben afgesproken dat er gedaan zou worden…oh nee wat hij zou gaan doen :D.