Zo’n dag in de Breinsmederij 1611

Wil je me duwen? We zijn serieus nog geen 10 meter van huis op weg naar school of mijn dochter begint al haar zeurtoontje op te zetten. Ze weet dat ik het onzin vind om haar te duwen. Inmiddels is ze oud genoeg om zelf afstanden te fietsen en helemaal dat kleine stukje naar school. Geïrriteerd geef ik dan ook aan dat ik niet van plan ben om dat te gaan doen.

Al jengelend fietsen we in een tergend tempo door, wat de sfeer niet echt ten goede komt. Ik trap in de valkuil om aan haar te gaan trekken in plaats van gewoon de grens te trekken. ‘Kom op’, ’gewoon fietsen’, ‘Er is niets aan de hand.’ Ondanks dat ik positieve of neutrale woorden probeer te gebruiken, is mijn irritatie hoorbaar. In mijn hoofd spoken meer gedachtes zoals ‘doe even normaal’ en ‘kop op zeg, stel je niet zo aan’ en dat is hoorbaar in mijn toon. Irritatie is niet het goede woord,  het is meer een combinatie van ongeloof en irritatie, want eigenlijk vind ik de hele situatie belachelijk. In zo’n situatie is er ook altijd een soort lach in mijn stem hoorbaar, wat de bui van mijn dochter alleen maar verergerd. Het is duidelijk voor haar dat ik haar echt niet serieus neem.

Ik blijf bewust fietsen, maar daardoor wordt de afstand letterlijk en figuurlijk tussen ons vergroot. Ik merk dat de onwil om zelf te fietsen omslaat in onmacht bij mijn dochter. Haar gejammer is omgeslagen in een echt huilbui. Tegen alle opvoedboeken in besluit ik toch maar naast haar te gaan fietsen en ik begin met duwen.

Ik vraag haar wat haar nu zo verdrietig maakt. Snikkend geeft ze aan dat ze het gewoon zo fijn vindt als ik haar duw. Dat ze heus wel zelf kan fietsen, maar dat als ik haar duw ze het gevoel heeft dat ze nog even bij me kan zijn. Gezien haar dagelijkse worsteling om naar school te gaan weet ik dat ze dit niet verzint als slecht excuus.

We spreken af dat ik haar naar school duw, maar dat we als we samen ergens anders heen fietsen waar we dan ook samen blijven dat ze dan helemaal zelf fietst. Een afspraak waar ze zich vervolgens keurig aan houdt.  Echter is dat niet het belangrijkste resultaat, er gebeurt namelijk ineens iets anders opmerkelijks.

Nu ik haar elke dag duw en me bewust ben dat dit een belangrijk moment is voor haar, geef ik er extra aandacht aan. Er is geen strijd, maar verbondenheid en dat maakt dat ze daarna de stap op school zelfstandig kan maken. Zodra we het schoolplein in zicht hebben meld ze dat ik haar wel los kan laten en dan trapt ze zelf de laatste meters. Op het schoolplein wil ze geen hand meer geven en nog opmerkelijker op school hoef ik niet meer te wachten tot half negen, tot het belletje van de juf gaat. Met liefde geef ik haar dus voortaan een duwtje in de rug.